Sparta 2022 - General Bedienungsanleitung

Sparta Fahrrad E-bike 2022 - General

Lesen Sie kostenlos die 📖 deutsche Bedienungsanleitung für Sparta 2022 - General (286 Seiten) in der Kategorie Fahrrad E-bike. Dieser Bedienungsanleitung war für 22 Personen hilfreich und wurde von 2 Benutzern mit durchschnittlich 4.5 Sternen bewertet

Seite 1/286
NL
Gebruiksaanwijzing
Voertuig algemeen
+ Aanvullende gebruiksaanwijzing
Pedelec/S-Pedelec
+ Aanvullende gebruiksaanwijzing
Kinderfiets
Gebruiksaanwijzing
Kinderspeelfiets
ACCELL GROUP
ORIGINELE GEBRUIKSAANWIJZING
ORIGINELE GEBRUIKSAANWIJZING
EDITION:
1| 05/2020
Deze gebruiksaanwijzing behoort tot het volgende model/type:
Wegwijzer
Fiets
Elektrische fiets
Kinderfiets
Speelfiets voor kinderen
Wegwijzer
Wegwijzer
Inhoud – Deel wegwijzer
1 Informatie online � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 1
2 Waarschuwingen� � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 2
3 Verklaring van de tekens � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 3
4 Afbeeldingen� � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 4
5 Verklaring van de begrippen� � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 4
5�1 Pedelec/EPAC � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 4
5�2 S-Pedelec/S-EPAC � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 4
5�3 Kinderfietsen� � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 5
5�4 Kinderspeelfietsen � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 5
5�5 Pedaalaandrijving � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 5
5�6 SAG � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 5
5�7 Lock-Out � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 5
5�8 Woordenlijst � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 6
6 Eenheden en afkortingen � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 6
7 Structuur van de gebruiksaanwijzingen � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 7
8 Verdere informatie � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 8
9 Opmerking over onderhoudswerkzaamheden en reparaties � � � � � � � � � � 8
10 Opmerking over de technische gegevens � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 8
1
Wegwijzer Informatie online
In deze wegwijzer krijgt u een overzicht van alle symbolen en tekens die in deze originele
gebruiksaanwijzing worden gebruikt. Voor een grotere verstaanbaarheid wordt de originele
gebruiksaanwijzing hierna gebruiksaanwijzing genoemd.
1 Informatie online
Meer informatie over de respectieve merken vindt u op:
Internetpagina Merk(en)
www.atala.it Atala
www.batavus.com Batavus
www.ghost-bikes.com Ghost
www.greens-bikes.de Green‘s
www.haibike.com Haibike
www.koga.com Koga
www.lapierrebikes.com Lapierre
www.loekie.nl Loekie
www.raleigh.co.uk Raleigh
www.sparta.nl / www.spartabikes.de Sparta
www.vannicholas.com Van Nicholas
www.whistlebikes.com Whistle
www.winora.com Winora
www.accell-group.com Accell Group
Wegwijzer Informatie online
2
WegwijzerWaarschuwingen
2 Waarschuwingen
De volgende signaalsymbolen en -woorden worden in de gebruiksaanwijzing gebruikt om
te waarschuwen voor lichamelijke en materiële schade.
Waarschuwingen moeten de aandacht trekken naar de mogelijke gevaren. Het niet naleven
van een waarschuwing kan leiden tot verwondingen bij uzelf of andere personen en ook
materiële schade veroorzaken. Gelieve alle waarschuwingen te lezen en na te leven.
GEVAAR
Deze waarschuwing wijst op een gevaar met een hoog risico, die de meest
ernstige verwondingen en zelfs de dood tot gevolg heeft wanneer het risico
niet wordt vermeden.
WAARSCHUWING
Deze waarschuwing wijst op een gevaar met een gematigd risico, die ernstige
verwondingen tot gevolg heeft wanneer het risico niet wordt vermeden.
VOORZICHTIG
Deze waarschuwing wijst op een gevaar met een laag risico, die de geringe of ge-
matigde verwondingen tot gevolg heeft wanneer het risico niet wordt vermeden.
LET OP
Deze waarschuwing wijst op mogelijke materiële schade.
3
Wegwijzer Verklaring van de tekens
3 Verklaring van de tekens
De volgende symbolen kunnen in deze originele gebruiksaanwijzing, op componenten van
het voertuig of op verpakkingen worden gebruikt.
Symbool Verklaring
Dit symbool geeft u nuttige bijkomende informatie over de instellingen of het gebruik.
Dit symbool betekent dat u de gebruiksaanwijzing moet lezen.
Met dit symbool gemarkeerde producten vervullen alle toe te passen communautaire
voorschriften van Europese Economische Ruimte.
Dit symbool wijst op de goedkeuring door ouders voor kleine kinderen.
Gebruik de fiets niet op de openbare weg.
Dit symbool geeft de maximaal toegestane aanhangerbelasting en kogeldruk
van een fiets met speciale aanhangervoorbereiding op het fietsframe aan.
Als het symbool niet op de fiets aanwezig is, gelden de standaardwaarden voor
de aanhangerbelasting uit de gebruiksaanwijzing van de fiets, hoofdstuk “Maximaal
toegestaan totaalgewicht”.
Dit symbool geeft bij wijze van voorbeeld het maximaal toegestane totaal gewicht
van het voertuig aan. Het maximaal toegestane totaal gewicht van uw voertuig
verneemt u op het etiket op uw voertuig.
Dit symbool geeft bij wijze van voorbeeld de categorie van het voertuig aan.
De voertuigcategorie verneemt u op het etiket van uw voertuig. Een uitvoerige
beschrijving van de voertuigcatergorieën vindt u in de gebruiksaanwijzing voertuig
in het hoofdstuk “Voertuigcategorieën”.
4
WegwijzerAfbeeldingen
4 Afbeeldingen
De afbeeldingen in de gebruiksaanwijzing zijn voorbeelden en kunnen afwijken van de
werkelijke uitvoering van uw voertuig. Als u niet beschikt over de noodzakelijke vakkennis
over uw model van voertuig, kunt u zich richten tot uw handelaar.
Voorbeeld voor een afbeelding:
Afb.: Samenstelling van de afbeeldingen
1 Afbeelding bij wijze van voorbeeld
2 Bijschrift
Afb.: Correcte stuurpositie
1
2
5 Verklaring van de begrippen
De volgende begrippen worden indien de gebruiksaanwijzing gebruikt:
5.1 Pedelec/EPAC
Tegen de norm in worden EPAC’s (= Electrically Power Assisted Cycle) in deze gebruiksaanwij-
zing Pedelecs (=Pedal electric cycle) genoemd. Pedelecs zijn voertuigen met een elektrische
hulpmotor die een ondersteuning tot maximaal 25 km/h levert als u op de pedalen trapt. Een
duwhulp kan het voertuig naargelang van de ingestelde versnelling tot 6 km/h doen versnellen.
Pedelecs zijn voertuigen die in de meeste landen wettelijk als fietsen worden ingedeeld.
Informeer u over de nationale en regionale voorschriften en de classificatie in uw land.
5.2 S-Pedelec/S-EPAC
Tegen de norm in worden S-EPAC’s (= Speed Electrically Power Assisted Cycle) in deze
gebruiksaanwijzing S-Pedelecs (= Speed Pedal electric cycle) genoemd. Pedelecs zijn
voertuigen met een elektrische hulpmotor die een ondersteuning tot maximaal 45 km/h
biedt als u op de pedalen trapt. Bovendien kan naargelang van het model ook een zuiver
elektrische aandrijving tot maximaal 18 km/h mogelijk zijn.
5
Wegwijzer Verklaring van de begrippen
S-Pedelecs worden in een aantal landen geclassificeerd als motorvoertuigen.
Informeer u over de nationale en regionale voorschriften en de classificatie in uw land.
5.3 Kinderfietsen
Kinderfietsen zijn door pedalen aangedreven voertuigen voor kinderen van
de voertuigcategorie 0 met wielgroottes 12" en 16".
5.4 Kinderspeelfietsen
Kinderspeelfietsen zijn voertuigen van de categorie 0 zonder pedalen voor kinderen
vanaf 3 jaar. De kinderspeelfietsen worden door het kind al meelopend aangedreven.
5.5 Pedaalaandrijving
De pedaalaandrijving is een samenstel bestaande uit een kettingwiel, pedaal en crank.
1 Kettingwiel
2 Pedaal
3 Crank
Afb.: Pedaalaandrijving op het voorbeeld van een derailleur met 3 kettingwielen
5.6 SAG
De SAG (Engels “verlagen”) is het inveren van de veerelementen door het lichaamsgewicht van de
bestuurder. De SAG wordt afhankelijk van het model van de geveerde voorvork of de vering en af-
hankelijk van het gebruiksdoel op een waarde van 15 % tot 40 % van de totale veerweg ingesteld.
5.7 Lock-Out
De Lock-Out-functie blokkeert de geveerde voorvork. Hierdoor kan het slingeren of het
inveren van de voorvork worden verminderd, bijvoorbeeld wanneer de vering tijdens het
fietsen met hoge pedaalkracht wordt ingedrukt.
Afhankelijk van het voertuigmodel is ook de achtervering met een Lock-Out-functie uitgerust
(zie gebruiksaanwijzing voertuig, hoofdstuk “Vering”).
32
1
6
WegwijzerEenheden en afkortingen
5.8 Woordenlijst
Na de handleiding van de kinderenspeelfiets vindt u een woordenlijst over de begrippen die
worden gebruikt in deze gebruiksaanwijzing.
6 Eenheden en afkortingen
De volgende eenheden en afkortingen vindt u in deze gebruiksaanwijzing of op
de componenten van uw voertuig:
Eenheid Betekenis Eenheid voor
° Graden Hoekafmeting
°C Graden Celsius Temperatuur
°F Graden Fahrenheit Temperatuur (USA)
1/s per seconde Omwentelingen
" Inch Maateenheid (USA) 1 inch = 2,54 cm
A Ampère Elektrische stroomsterkte
Ah Ampère uur Elektrische lading
bar Bar Druk
g Gram Massa (gewicht)
hUur Tijd
Hz Hertz Frequentie
kg Kilogram Massa (gewicht)
km/h Kilometer per uur Snelheid
kPa Kilopascal Druk
mph Miles per hour Snelheid (USA)
Nm Newtonmeter Draaimoment
psi pound per square inch Druk (USA)
V Volt Elektrische spanning
W Watt Elektrisch vermogen
Wh Watt-uur Elektrische capaciteit
8
WegwijzerVerdere informatie
8 Verdere informatie
U ontvangt samen met een voertuig alle belangrijke documenten en noodzakelijke informatie
van uw handelaar:
Het ingevulde document voertuigpas en het overdrachtsprotocol, dat u vindt
op het einde van de gedrukte basisversie van de originele gebruiksaanwijzing.
Een basisversie van de originele gebruiksaanwijzing in een printversie over
uw voertuig.
Meer informatie vindt u op het internet op de homepage van het desbetreffende
merk (zie de lijst in het hoofdstuk “Informatie online”).
Eventuele handleidingen van de fabrikant over componenten.
Bij de aankoop van een Pedelec krijgt u ook een snelstarthandleiding voor het
Pedelec-aandrijfsysteem.
Een complete, originele gebruiksaanwijzing voor uw elektrische fiets is te vinden
op het internet op de homepage van het betreffende merk (zie de lijst in het
hoofdstuk “Informatie online”).
Bij de aankoop van een S-Pedelec krijgt u ook een volledige originele
gebruiksaanwijzing voor uw S-Pedelec-aandrijfsysteem.
Op uw voertuig vindt u:
Het voertuigcategorienummer van uw voertuig
Het maximaal toegestane totaal gewicht
Gewicht van de fiets (afgerond)
Het typeplaatje met typeaanduiding
xVergelijk de gegevens in uw voertuigpas en het voertuigcategorienummer op uw
voertuig met de gegevens in hoofdstuk “Structuur van de gebruiksaanwijzingen,
om alle informatie over uw voertuigmodel te vinden.
9 Opmerking over onderhoudswerkzaamheden
en reparaties
Verricht de handelingen die in de gebruiksaanwijzing zijn beschreven slechts wanneer
u beschikt over de noodzakelijke vakkennis en gereedschappen. In het andere geval laat
u de werkzaamheden uitvoeren door een specialist.
10 Opmerking over de technische gegevens
Informatie over de technische gegevens en uitrusting van uw fietsmodel kunt u schriftelijk
opvragen bij uw dealer of op de homepage van het desbetreffende merk (zie de lijst in het
hoofdstuk “Online informatie”).
Gebruiksaanwijzing
Voertuig
Voertuig
1 Zadelbuis 16 Crank
2 Bovenbuis 17 Kettingwielen
3 Onderbuis 18 Ketting
4 Stuurpen 19 Standaard
5 Stuur 20 Liggende achtervork
6 Remarm 21 Schakelmechanisme
7Voorvork/geveerde voorvork 22 Tandwielcassette bestaande uit rondsels
8 Voorlamp 23 Reflector
9Rem aan het voorwiel 24 Achterlamp
10 Spaak 25 Bagagedrager
11 Band 26 Staande achtervork
12 Ventiel 27 Achterwielrem
13 Wielnaaf 28 Zadelpen
14 Velg 29 Zadelpenklem
15 Pedaal 30 Zadel
Afbeelding bij wijze van voorbeeld
1
2
3
4
5
6
7
8
12
13
14
15
16
17
23
24
25
27
28
30
29
26
11
9
18
19
20
22
21
10
Voertuig
Inhoud
1 Grondslagen � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � �1
1�1 Gebruiksaanwijzing lezen en bewaren � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 1
1�2 Regulier gebruik � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 1
1�3 Voertuigcategorieën � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 2
1�4 Maximaal toegestane totaal gewicht � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 5
1�5 Zitpositie � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 7
1�6 Framehoogte� � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � �8
1�7 Helm � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 8
1�8 Bagagedrager � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 9
1�8�1 Bagagedrager met klembeugel� � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 11
1�8�2 Bagagedrager zonder klembeugel met spanriem� � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 12
1�8�3 Low rider-bagagedragers voor fietstassen � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 12
1�8�4 Systeembagagedrager � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 12
1�9 Standaardvarianten� � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 13
1�9�1 Zijstandaards en achtervorkstandaards � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 13
1�9�2 Tweebenige standaard � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 14
1�10 Roltrainer � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 14
1�11 Aero-stuur bij racefietsen � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 15
2 Voor de fietsrit � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 16
2�1 Voor elke rit � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 16
2�2 Voor de eerste rit � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 18
3 Veiligheid � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 19
3�1 Algemene veiligheidsinstructies � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 19
3�2 Instructies voor het wegverkeer � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 24
3�3 Instructies voor het meenemen van kinderen� � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 25
3�3�1 Kinderstoel � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 28
3�3�2 Fietskar � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 29
3�4 Instructies over het transport � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 30
3�4�1 Instructies over de bagage � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 30
3�4�2 Instructies voor de montage van aanhangers � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 31
3�4�3 Instructies over aanhangers voor lasten en honden � � � � � � � � � � � � � � � � � � 32
3�4�4 Instructies over het transport van het voertuig met de wagen � � � � � � � � � � � 33
3�5 Instructies over draaimomenten� � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 35
3�6 Instructies voor de draairichting van schroeven � � � � � � � � � � � � � � � � � � 37
Voertuig
3�7 Instructies over de slijtage � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 37
3�8 Instructies over componenten van carbon� � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 39
3�8�1 Valpartijen en ongevallen � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 40
3�8�2 Fietsendrager � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 40
3�8�3 Draaimomenten � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 40
3�9 Restrisico’s � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 41
4 Basisinstellingen � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 42
4�1 Snelspanners � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 42
4�2 Zadel� � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 43
4�2�1 Zadelhoogte instellen � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 44
4�2�2 Minimale insteekdiepte � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 45
4�2�3 Minimale uittrekhoogte instellen� � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 46
4�2�4 Inclinatie van het zadel instellen � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 46
4�2�5 Zitlengte instellen � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 47
4�3 Stuur en stuurpennen � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 47
4�3�1 Minimale insteekdiepte � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 48
4�3�2 Stuurpeninclinatie instellen � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 48
4�3�3 Stuur positioneren � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 49
4�4 Bedieningselementen � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 49
4�5 Remarm� � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 49
4�5�1 Controleer de plaatsing van de remhendels � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 50
4�5�2 Positie instellen � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 50
4�5�3 Greepafstand instellen � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 51
4�6 Pedalen � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 52
4�6�1 Klappedaal � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 52
4�6�2 Blokpedaal � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 53
4�6�3 Klikpedaal � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 53
4�6�4 Ruimte voor de voeten � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 54
4�7 Verlichting � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 55
4�7�1 Naafdynamo � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 56
4�7�2 Accu- en batterijverlichting � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 56
4�7�3 Voorlamp � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 57
4�7�4 Achterlamp � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 57
4�7�5 Reflectoren � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 57
4�8 Vering � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 57
5 Rem � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 59
Voertuig
5�1 Grondslagen � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 59
5�1�1 Terugtraprem� � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 59
5�1�2 Remarm � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 59
5�1�2�1 Schijfrem� � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 60
5�1�2�2 Velgrem � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 60
5�2 Bediening � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 61
5�2�1 Remarm bedienen� � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 62
5�2�2 Terugtraprem gebruiken � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 62
5�3 Inremmen van schijfremmen � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 63
5�4 Remkracht behouden � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 63
5�5 ABS-systeem � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 64
5�6 Instellingen� � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 65
5�6�1 Remkabelspanning bij mechanische remmen instellen � � � � � � � � � � � � � � � � 65
5�6�2 Drukpunt instellen� � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 66
6 Derailleur � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 67
6�1 Grondslagen � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 67
6�1�1 Mechanische derailleur� � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 67
6�1�2 Elektronische derailleur � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 68
6�1�3 Tandwielcombinaties � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 68
6�2 Bediening � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 69
6�2�1 Rondsels schakelen� � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 70
6�2�2 Kettingwielen schakelen � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 71
6�2�3 Elektronische derailleur � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 71
6�2�4 Derailleur/naafversnelling (dual drive) � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 72
6�2�5 Versnellingshendel bij een racefiets bedienen� � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 72
6�3 Instellingen� � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 73
6�3�1 Schakelmechanisme instellen � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 74
6�3�2 Voorderailleur instellen� � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 75
6�3�3 Versnellingskabelspanning afstellen � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 76
6�3�4 Derailleur bij een racefiets instellen � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 76
7 Naafversnellingen � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 77
7�1 Grondslagen � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 77
7�1�1 Automatische versnelling (Automatix) � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 77
7�1�2 Traploze versnelling (NuVinci)� � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 78
7�1�3 Traploze automatische versnelling (NuVinci Harmony) � � � � � � � � � � � � � � � � 78
7�1�4 Elektronische naafversnelling� � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 78
Voertuig
7�2 Bediening � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 78
7�2�1 Naafversnellingen met schakelstanden � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 79
7�2�2 Traploze naafversnellingen � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 80
7�2�3 Derailleur/naafversnelling (dual drive) � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 80
7�3 Instellingen� � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 81
7�3�1 Versnellingskabelspanning instellen � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 81
7�3�2 Versnellingskabelspanning bij NuVinci versnelling instellen � � � � � � � � � � � � � 83
8 Pinion-aandrijving � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 84
8�1 Voor elke rit � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 84
8�2 Pinion-aandrijving schakelen � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 85
8�3 Oplossing van storingen � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 86
8�4 Pinion-aandrijving reinigen � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 88
8�5 Pinion-aandrijving onderhouden� � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 88
8�5�1 Pinion-aandrijving met kettingaandrijving onderhouden � � � � � � � � � � � � � � � 89
8�5�2 Pinion-aandrijving met riemaandrijving onderhouden� � � � � � � � � � � � � � � � � 89
8�6 Vervanging van olie � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 89
9 Riemaandrijving � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 91
9�1 Samenstelling van de riemaandrijving � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 91
9�2 Gebruik van de riemaandrijving � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 91
9�3 Spanning van de riem controleren � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 92
9�4 Slijtage van de riemaandrijving� � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 92
9�4�1 Slijtage van de riem optisch controleren � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 92
9�4�2 Slijtage van de riemaandrijving optisch controleren � � � � � � � � � � � � � � � � � � 93
9�4�3 Slijtage van kettingwiel optisch controleren � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 94
9�5 Riemaandrijving reinigen � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 94
10 Wielen en banden � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 95
10�1 Banden en ventielen � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 96
10�1�1 Soorten ventielen � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 97
10�1�2 Bandenspanning� � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 98
10�2 Velgen en spaken � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 99
10�3 Voor-/achterwiel monteren en demonteren� � � � � � � � � � � � � � � � � � � 100
10�3�1 Voor-/achterwiel met snelspanassen � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 102
10�3�1�1 Montage � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 102
10�3�1�2 Demontage � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 102
10�3�2 Voor-/achterwiel met steekassen � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 103
10�3�2�1 Montage � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 103
Voertuig
10�3�2�2 Demontage � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 103
10�3�3 Voor-/achterwiel met schroeven � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 104
10�3�3�1 Montage � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 104
10�3�3�2 Demontage � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 104
10�3�4 Carbonwielen � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 104
11 Telescopische zadelpen� � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 106
11�1 Grondslagen � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 106
11�2 Bediening � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 107
11�3 Instellingen � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 108
11�3�1 Kabelspanning instellen � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 108
11�3�2 Uitschuifsnelheid instellen� � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 108
11�3�3 Positie van de afstandsbediening van de telescopische zadelpen� � � � � � � � 108
11�3�4 Pneumatische telescopische zadelpen instellen � � � � � � � � � � � � � � � � � � 109
11�3�5 Hydraulische telescopische zadelpen ontluchten � � � � � � � � � � � � � � � � � � 109
12 Vering � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 110
12�1 Geveerde zadelpen � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 110
12�2 Geveerde voorvork en achtervering � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 111
12�2�1 Grondslagen � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 111
12�2�2 Bediening � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 112
12�2�3 Instellingen � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 114
12�2�3�1 Uitveerdemping en compressiedemping � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 114
12�2�3�2 SAG � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 114
12�2�3�3 Lock-Out � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 115
13 Reiniging � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 116
13�1 Remmen � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 118
13�2 Vering � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 119
13�3 Versnelling � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 119
13�4 Ketting� � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 120
14 Onderhoud � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 121
14�1 Inspectie-intervallen � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 123
14�2 Schroefverbindingen � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 124
14�3 Frame en vaste voorvork � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 124
14�4 Geveerde voorvork � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 124
14�5 Bagagedrager en spatborden� � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 125
14�6 Zadel � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 125
Voertuig
14�7 Stuur en stuurpennen � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 125
14�8 Balhoofdlager instellen� � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 126
14�8�1 Conventionele stuurpen met inwendige klemming � � � � � � � � � � � � � � � � � 127
14�8�2 Stuurpen met uitwendige klemming� � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 127
14�9 Wielen � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 128
14�9�1 Velgen en spaken � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 129
14�9�2 Slijtage-indicator van de velg bij velgremmen � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 129
14�9�3 Band � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 130
14�10 Lekke band � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 130
14�11 Wiel demonteren � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 130
14�11�1 Remmen voorbereiden � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 131
14�11�1�1 Mechanische velgremmen voorbereiden � � � � � � � � � � � � � � � � � � 132
14�11�1�2 Hydraulische velgremmen voorbereiden� � � � � � � � � � � � � � � � � � � 133
14�11�1�3 Terugtraprem voorbereiden� � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 133
14�11�1�4 Remmen voorbereiden bij racefietsen � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 134
14�11�2 Voorwiel demonteren � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 134
14�11�3 Achterwiel demonteren� � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 134
14�11�4 Draad- of vouwbanden demonteren� � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 135
14�11�5 Velglint controleren � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 137
14�11�6 Draad- of vouwbanden monteren � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 137
14�11�7 UST-banden monteren � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 138
14�11�8 Wiel monteren � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 139
14�11�8�1 Voorwiel monteren � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 140
14�11�8�2 Achterwiel monteren� � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 140
14�11�8�3 Na de montage van de wielen � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 140
14�12 Remsysteem � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 141
14�12�1 Velgrem algemeen� � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 142
14�12�1�1 Remblok controleren� � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 142
14�12�1�2 Remblok vervangen � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 143
14�12�1�3 Remblok met schroef vervangen � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 144
14�12�1�4 Remblok met veiligheidsplitpen vervangen � � � � � � � � � � � � � � � � � 144
14�12�1�5 Remblokhouders vervangen bij een racefiets � � � � � � � � � � � � � � � � 144
14�12�1�6 Afstand remblok bij een racefiets instellen � � � � � � � � � � � � � � � � � 146
14�12�2 Mechanische velgrem� � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 147
14�12�2�1 Remblokhouder vervangen � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 147
14�12�2�2 Afstand remblokhouder instellen � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 149
14�12�2�3 Remsysteem controleren � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 150
Voertuig
14�12�3 Hydraulische velgrem � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 150
14�12�3�1 Remblokhouders vervangen � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 151
14�12�3�2 Afstand remblokhouders instellen (Magura HS-modellen) � � � � � � � 152
14�12�3�3 Remsysteem controleren � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 153
14�12�4 Schijfrem� � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 153
14�12�4�1 Schijfrem inremmen � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 154
14�12�4�2 Schijfrem rotor controleren � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 154
14�12�4�3 Drukpunt instellen � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 154
14�12�4�4 Remzadel instellen � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 154
14�12�4�5 Remblokken vervangen � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 155
14�12�4�6 Remblok controleren� � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 157
14�12�4�7 Remsysteem controleren � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 157
14�12�5 Terugtraprem � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 157
14�13 Pedaalaandrijving � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 158
14�14 Verlichtingsset � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 158
14�15 Naafdynamo � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 159
14�16 Kettingspanning � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 159
14�16�1 Instellen van de kettingspanning met naafversnellingen � � � � � � � � � � � � 160
14�16�2 Kettingspanning bij derailleurs � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 160
14�16�3 Versnellingskabels � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 160
14�16�4 Derailleur � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 160
14�17 Aanbevolen bandenspanning � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 161
14�18 Vetten en oliën � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 162
14�19 Reinigings- en onderhoudsplan � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 163
15 Bewaring � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 166
16 Afvalverwijdering � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 167
16�1 Voertuig � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 167
16�2 Elektronische componenten en onderdelen � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 167
16�3 Verpakking � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 167
16�4 Banden en binnenbanden � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 167
16�5 Smeer- en onderhoudsmiddelen� � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � 167
Voertuig
Voertuig Grondslagen
1
1 Grondslagen
1.1 Gebruiksaanwijzing lezen en bewaren
Deze gebruiksaanwijzing hoort bij dit voertuig. De begrippen fietsen,
racefietsen, Pedelecs, S-Pedelecs, kinderfietsen en kinderspeelfietsen worden
in de gebruiksaanwijzing voertuig onder de overkoepelende term “voertuig”
samengevat. De gebruiksaanwijzing bevat belangrijke informatie over de
instellingen en het gebruik. Lees grondig en volledig de gebruiksaanwijzing,
vooral de veiligheidsinstructies, alvorens het voertuig te gebruiken. Afhankelijk
van het voertuigmodel en de voertuigcategorie dient u ook de aanvullende
gebruiksaanwijzingen zorgvuldig en volledig door te nemen. De niet-naleving van
deze gebruiksaanwijzing kan leiden tot ernstige verwondingen of schade aan het
voertuig. Bewaar de gebruiksaanwijzing binnen handbereik. Overhandigt u het
voertuig aan derden, geef dan ook zeker deze gebruiksaanwijzing mee.
1.2 Regulier gebruik
De fabrikant of handelaar is niet aansprakelijk voor schade die is ontstaan door oneigenlijk
gebruik. Gebruik het voertuig uitsluitend op de manier die in deze gebruiksaanwijzing
is beschreven. Elk ander gebruik geldt als oneigenlijk en kan leiden tot ongevallen, ernstige
letsels of schade aan het voertuig.
Het ombouwen van voertuigen tot een Pedelec of S-Pedelec is niet toegestaan.
Het manipuleren van de aandrijfeenheid op elektrische fietsen en S-elektrische fietsen
is verboden.
Veranderingen of verbouwingen aan de fiets die de eigenschappen van de fiets veranderen
(bijv. skilopers, lasttransportinrichtingen, zijspannen) zijn niet toegestaan.
Garantieclaims kunnen in gevaar komen en kunnen vervallen als de fiets niet volgens
de voorschriften wordt gebruikt.
Het voertuig is bestemd voor het gebruik door één persoon, waarbij de zitpositie werd
afgestemd op diens lengte (zie hoofdstuk “Grondslagen / Zitpositie”).
Het gebruik van kinderzitjes, kinderaanhangers en andere fietsaanhangers (laad- en
hondenaanhangers) is niet toegestaan voor fietsen van de categorieën 0 en 6. Indien een
kinderzitje of een aanhangwagen wordt gebruikt met een fiets van categorie 2, 3, 4 of 5,
moet de bestuurder voldoen aan het beoogde gebruik van categorie 2. De aangegeven
gebruiksaanwijzing blijft geldig voor categorie 1.
VoertuigGrondslagen
2
Het gebruik van kinderzitjes, kinderaanhangers en andere fietskarren is niet
toegestaan voor:
Fietsen met een carbon achterbouw, tenzij deze voorzien is van een speciale
bevestiging voor de bevestiging van de aanhangerkoppeling.
Voertuigen van het type S-Pedelec
Kinder- en jongerenfietsen met wielgroottes 12" 16", 20" en 24".
Lees voor meer informatie het hoofdstuk "Veiligheid / Aanwijzingen voor het vervoer van
kinderen" en let op de speciale instructies voor het gebruik op uw fiets. Richt u voor het
gebruik van fietskarren en kinderstoeltjes tot uw handelaar.
Racefietsen en fitness-fietsen zijn uitsluitend bestemd voor het gebruik op straten
en wegen met een glad oppervlak die geasfalteerd, gebetonneerd of verhard zijn.
Elk gebruik op onverharde wegen kan ertoe leiden dat het voertuig stuk gaat.
De installatie van een bagagedrager, kinderzitje of aanhanger is niet toegestaan.
De racefiets/fitness-fiets wordt gedefinieerd als een voertuig
met een racestuur (racefiets) of een plat stuur (flat bar bij een fitness-fiets)
met smalle banden met zeer weinig of geen profiel
met een ongeveerd frame
dat een sportief gestrekte zitpositie vereist
Voor het reguliere gebruik van het voertuig in het wegverkeer moet u de nationale en
regionale voorschriften kennen, hebben begrepen en naleven (zie hoofdstuk “Veiligheid /
Instructies voor het wegverkeer”).
1.3 Voertuigcategorieën
Het voertuig wordt aangeduid met een symbool voor de voertuigcategorie. Dit symbool
bevindt zich doorgaans aan de onderste linker kant van de zadelbuis:
xVergelijk de vermelde voertuigcategorie op uw voertuig met de voertuigcategorieën
in de volgende tabel.
xLees alle hoofdstukken die beantwoorden aan de voertuigcategorie van uw voertuig.
Voertuig Grondslagen
3
Symbool Voertuigcategorie Gebruik
Voertuigen van de categorie 0 zijn
doorgaans kinderspeelfietsen 12"
en kinderfietsen 12" en 16".
Categorie 0:
- voor kinderen vanaf 3 jaar
- Gebruik slechts onder toezicht van
een opvoedingsverantwoordelijke
- deelname aan het wegverkeer is niet
toegestaan
- deelname aan wedstrijden
is niet toegestaan
- niet geschikt voor sprongen
en acrobatische handelingen
Fietsen van categorie 1 zijn fietsen
die ontworpen zijn voor stedelijke
infrastructuur (toestand van de wegen).
Categorie 1:
- alleen voor asfalt, beton of verharde
wegen en paden
- permanent grondcontact van de wielen
moet worden gegarandeerd
- deelname aan wedstrijden
is niet toegestaan
- niet geschikt voor sprongen, harde
schokken en acrobatiek
- de beoogde gemiddelde snelheid
is 15 tot 25 km/u
Fietsen van categorie 6 zijn meestal
fietsen, elektrische fietsen en
S-elektrische fietsen van het type
racefiets of fitnessfiets (stadsfiets)/
tijdritfiets/triatlonfiets.
Categorie 6:
- alleen voor asfalt, beton of verharde
wegen en paden
- permanent grondcontact van de wielen
moet worden gegarandeerd
- deelname aan wedstrijden is toegestaan
- geschikt voor afdalingen en sprints
- niet geschikt voor sprongen, harde
schokken en acrobatiek
- de beoogde gemiddelde snelheid
is 30 tot 55 km/u
VoertuigGrondslagen
4
Symbool Voertuigcategorie Gebruik
Voertuigen van de categorie 2
zijn doorgaans fietsen, Pedelecs
en S-Pedelecs van het type city-,
trekking-, cross trekking- of bakfiets,
bovendien jongerenfietsen 24"
en kinderfietsen 20".
Categorie 2:
- omvat categorie 1 en ook verharde
en natuurlijk vaste wegen met
gematigde hellingen
- van verhogingen van maximaal 15 cm,
bijv. stoepranden, kan worden gereden
- deelname aan wedstrijden
is niet toegestaan
- geschikt voor recreatief gebruik
en trekking onder matige inspanning
- niet geschikt voor sprongen
en acrobatische handelingen
- de beoogde gemiddelde snelheid
is 15 tot 25 km/u
Voertuigen van de categorie 3
zijn doorgaans fietsen, Pedelecs
en S-Pedelecs van het type
mountainbike met gebruiksdoel
cross country, marathon en tour,
enook fietsen van de gravel cyclo-
cross en all track.
Categorie 3:
- Omvat categorieën 1 en 2 en ook
ruwe trails met kleinere hindernissen
en onverharde wegen die een goede
rijtechniek vereisen
- geschikt voor sport en wedstrijden met
matige moeilijkheid van de paden
- de deelname aan wedstrijden is toegestaan
- drops en sprongen tot een hoogte van
max. 60 cm zijn toegestaan (een passende
rijtechniek wordt vooropgesteld)
- niet geschikt voor acrobatische handelingen
Voertuigen van de categorie 4
zijn doorgaans fietsen, Pedelecs
en S-Pedelecs van het type
mountainbike met gebruiksdoel
allmountain.
Categorie 4:
- omvat categorieën 1, 2 en 3
- grote hindernissen en hogere snelheden
stellen verhoogde rijvaardigheden voorop
- de deelname aan wedstrijden is toegestaan
- geschikt voor afdalingen
op onverharde wegen
- drops en sprongen tot een hoogte
van max. 120 cm zijn toegestaan (een
passende rijtechniek wordt vooropgesteld)
- niet geschikt voor acrobatische handelingen
Voertuig Grondslagen
5
Symbool Voertuigcategorie Gebruik
Voertuigen van de categorie 5
zijn doorgaans fietsen, Pedelecs
en S-Pedelecs van het type
mountainbike met gebruiksdoel
enduro/freerode/downhill/dirtjump.
Categorie 5:
- omvat categorieën 1, 2, 3 en 4 en ook een
zeer snel bereden en zeer moeilijk terrein
met extreme hellingen
- zeer hoge eisen aan de rijvaardigheid
- de deelname aan wedstrijden
is toegestaan
- geschikt voor sprongen en afdalingen
op onverharde paden
- verre sprongen en drops zijn toegestaan
(een passende rijtechniek wordt
vooropgesteld)
- niet geschikt voor acrobatische handelingen
Kinderspeelfietsen met een wielgrootte van 12" beantwoorden aan DIN EN 71
Kinderfietsen met een wielgrootte van 12" en 16" beantwoorden aan
DIN EN ISO 8098
Elektrische fietsen voldoen aan DIN EN 15194 en deels ook aan DIN EN ISO 4210,
S-elektrische fietsen voldoen aan DIN EN 15194 of aan de verordening (EU)
168/2013 (L1e-B), alle andere fietsen voldoen aan DIN EN ISO 4210.
Het beoogde gebruik is gebaseerd op DIN EN 17406
1.4 Maximaal toegestane totaal gewicht
GEVAAR
Breuk van componenten door overbelasting van het voertuig.
Risico op ongevallen en verwondingen!
xNeem het maximaal toegestane totale gewicht van het
voertuig in acht.
VoertuigGrondslagen
6
LET OP
Materiaalschade door overbelasting van het voertuig.
Beschadigingsgevaar!
xNeem het maximaal toegestane totale gewicht van het
voertuig in acht.
Het voertuig heeft een maximaal toegestaan totaal gewicht dat niet mag worden overschreden.
xNeem het maximaal toegestane totale gewicht van het voertuig in acht.
xRicht u tot uw handelaar als u vragen heeft over het maximaal toegestane
totaal gewicht.
Dit symbool (bij wijze van voorbeeld) geeft het maximaal toegestane totaal
gewicht van het voertuig aan. Het maximaal toegestane totaal gewicht van
uw voertuig verneemt u op het etiket op uw voertuig. Dit symbool bevindt
zich doorgaans aan de onderste linker kant van de zadelbuis.
Het maximaal toegestane totaal gewicht wordt als volgt berekend:
Voertuig + bestuurder + bagage / rugzak / kinderstoeltje etc. = maximaal toegestaan
totaal gewicht.
Maximaal toegestane totaal gewicht en fietskarwerking:
Bij gebruik van een aanhangwagen mag de maximale aanhangerbelasting van 40 kg
ongeremd / 80 kg geremd (aanhangwagen + lading) niet worden overschreden.
Dit symbool geeft de maximaal toegestane aanhangerbelasting van
de fiets aan. Noteer eventuele aanvullende informatie over de fiets
of aanhangwagen. Indien deze specificaties minder dan maximaal 40 kg
bedragen, moeten deze specificaties in acht worden genomen.
Neem de specificaties van de aanhangerfabrikant voor de kogeldruk in acht.
Indien een aanhangwagen wordt gebruikt, wordt het totale gewicht van de aanhangwagen
(aanhangwagen + lading) meegerekend in het totale gewicht van de fiets en moet rekening
worden gehouden met het maximaal toegestane totale gewicht van de fiets. Indien nodig
wordt de fiets goedgekeurd voor een hoger toelaatbaar totaalgewicht als samenstel met
een aanhangwagen. Let op de instructies op de fiets en in de modelspecifieke documenten.
Voertuig Grondslagen
7
1.5 Zitpositie
VOORZICHTIG
Gespannen spieren en pijn aan de gewrichten door een verkeerd
ingestelde zitpositie.
Risico op verwondingen!
xZorg ervoor dat de zitpositie correct wordt ingesteld door
uw handelaar.
VOORZICHTIG
Beperkte bereikbaarheid van bedieningselementen aan het stuur
door een verkeerd ingestelde zitpositie.
Risico op ongevallen en verwondingen!
xZorg ervoor dat de zitpositie correct wordt ingesteld door
uw handelaar.
De optimale zitpositie hangt af van de framegrootte en geometrie van het voertuig,
de lengte van de bestuurder en ook de instellingen van het stuur en het zadel.
Voor de instelling van de optimale zitpositie is vakkennis vereist.
De optimale zitpositie kan ook afhangen van het gebruik van het voertuig, bijv. wanneer
het hoofdzakelijk sportief wordt gebruikt.
De belangrijke eigenschappen van een optimale zitpositie zijn:
Als een pedaal boven staat, bedragen de hoek met de knie van het bovenste been
en de hoek van de arm 90°. Het onderste been is lichtjes gebogen
(zie “Afb.: Optimale zitpositie ( A)”).
Wanneer een pedaal vooraan staat, bevindt de knie zich boven de as van het voorste
pedaal (zie “Afb.: Optimale zitpositie (B)”).
De armen zijn ontspannen en lichtjes naar buiten gebogen
(niet te zien op de afbeelding).
De rug is lichtjes naar voren gebogen en staat niet loodrecht tot de zadelpen.
VoertuigGrondslagen
8
90°
90°
90°
A B
Afb.: Optimale zitpositie (bij wijze van voorbeeld)
xLees de hoofdstukken “Basisinstellingen / Zadel” en “Basisinstellingen / Stuur
en stuurpennen” over de instelling van de correcte zadel- of stuurhoogte.
1.6 Framehoogte
Om veilig en aangenaam te kunnen rijden, is het belangrijk een voertuig te kopen met
de voor de bestuurder passende framehoogte en -lengte. De passende framehoogte
hangt af van de staplengte van de bestuurder. Het is belangrijk rekening te houden met
de staplengte zodat het mogelijk is veilig en snel te stoppen en af te stappen van het
voertuig in gevaarlijke situaties.
xVraag advies over de juiste framehoogte aan een specialist.
1.7 Helm
xDraag bij elke rit met uw voertuig een geschikte en passende helm.
xVraag advies aan uw handelaar bij de aankoop van een helm.
xLaat de helm passend voor u instellen door uw handelaar.
xNeem de bijgeleverde informatie van de fabrikant van de helm in acht.
xZorg ervoor dat de helm correct zit (zie “Afb.: Houvast van de helm (A)”).
xSluit steeds de sluiting onder de kin.
Voertuig Grondslagen
9
A B
Afb.: Houvast van de helm ((A) correct, (B) zit te veel naar achteren)
(bij wijze van voorbeeld)
1.8 Bagagedrager
VOORZICHTIG
Blokkering van het voorwiel door verkeerde belading van
de bagagedrager vooraan.
Risico op ongevallen en verwondingen!
xBelaad de bagagedrager vooraan slechts naar boven toe.
xPlaats uw lading zo dat deze niet aan de zijkant hangt en het
sturen niet belemmert.
xPositioneer uw lading zodanig dat deze niet in de spaken van
het voorwiel verstrikt kan raken.
VOORZICHTIG
Gewijzigde rij-eigenschappen door achteraf gemonteerde
transportsystemen.
Risico op verwondingen!
xPas uw rijstijl aan de gewijzigde rij-eigenschappen aan.
VoertuigGrondslagen
10
LET OP
Overbelasting van de bagagedrager.
Beschadigingsgevaar!
xNeem de maximaal toegestane last op de bagagedrager in acht.
xDe bagagedrager is uitsluitend toegelaten voor het
transporteren van bagage.
LET OP
Beschadiging van voertuigcomponenten door een niet
goedgekeurde montage van een bagagedrager.
Beschadigingsgevaar!
xMonteer een bagagedrager nooit op de zadelpen.
xMonteer een bagagedrager nooit op een volledig geveerd frame.
De bagagedrager is een systeem op het voertuig waarop de bagage kan worden vervoerd.
Afhankelijk van het voertuigmodel kan het hierbij gaan om een bagagedrager met
klembeugel, een bagagedrager zonder klembeugel met spanriemen of een low
rider-bagagedrager voor fietstassen.
Verder zijn veel modellen standaard met een systeembagagedrager uitgerust. Voor deze
systeembagagedragers zijn diverse accessoires voorhanden, zoals manden of tassen,
die op het bagagevlak kunnen worden vastgeklikt.
xVraag advies aan uw handelaar over passende accessoires.
Wanneer uw voertuig uitgerust is met een bagagedrager:
xVerricht geen veranderingen aan de bagagedrager.
xWilt u de bagagedrager vervangen, vraag dan advies aan uw handelaar.
xZorg ervoor dat de bagagedrager niet wordt overbelast.
xNeem de maximaal toegestane last op de bagagedrager in acht.
xDe maximaal toegestane last op de bagagedrager is doorgaans op het oppervlak
van de bagagedrager genoteerd.
xWanneer de maximale toegestane last niet op het oppervlak van de bagagedrager
is gemarkeerd, dient u advies te vragen aan uw handelaar.
Voertuig Grondslagen
11
xZorg ervoor dat de bagagedrager gelijkmatig wordt belast.
xGebruikt u fietstassen, zorg er dan voor dat het gewicht van de bagage gelijkmatig
is verdeeld over de linker en rechter tas.
xZorg ervoor dat de bagage voldoende is vastgemaakt zodat ze niet valt.
xGebruik eventueel spanriemen om bagage vast te maken.
Wanneer uw voertuig niet met een bagagedrager uitgerust is:
xIs een montage achteraf van de bagagedrager aan de achtervork van het voertuig
uitsluitend toegestaan als de nodige vastschroefpunten al aanwezig zijn op het
frame. Is dit niet het geval, dan is de montage achteraf niet toegestaan. Neem ook
de instructies op het voertuig in acht.
xIs de montage achteraf van een bagagedrager of een ander transportsysteem aan
de voorvork verboden, indien daarvoor geen uitdrukkelijke goedkeuring bestaat.
xIs de montage achteraf van een bagagedrager of een ander transportsysteem aan
de voorvork en/of achtervork van de S-Pedelec verboden.
Zorg ervoor dat verlichtingssystemen en reflectoren bij een montage achteraf van een
transportsysteem niet afgedekt worden of indien nodig de positie ervan wordt gewijzigd.
1.8.1 Bagagedrager met klembeugel
1. Grijp de klembeugel, trek hem voorzichtig
naar boven en houd hem in deze positie.
2. Leg uw bagage op de bagagedrager.
3. Bevestig uw bagage op de bagagedrager
met de klembeugel die u langzaam
terugplaatst.
4. Zorg ervoor dat de bagage stevig
is bevestigd zodat ze niet valt.
Afb.: Bagagedrager met klembeugel
(bij wijze van voorbeeld)
VoertuigGrondslagen
12
1.8.2 Bagagedrager zonder klembeugel met spanriem
1. Maak de spanriemen los.
2. Leg uw bagage op de bagagedrager.
3. Trek de spanriemen krachtig over
de bagage.
4. Bevestig de spanriemen aan de hiervoor
voorziene houders aan het frame van
de bagagedrager.
xZorg ervoor dat de bagage stevig
is bevestigd zodat ze niet valt.
1.8.3 Low rider-bagagedragers voor fietstassen
1. Vul de fietstassen.
2. Zorgt ervoor dat de fietstassen hetzelfde
gewicht hebben.
3. Sluit de fietstassen zodat geen losse linten
en gespen afhangen.
4. Hang de fietstassen met het
ophangsysteem aan de bagagedrager.
xZorg ervoor dat de tassen stevig
op de low rider-bagagedrager zitten
en dat ze zijn vastgemaakt zodat
ze niet kunnen vallen.
1.8.4 Systeembagagedrager
xNeem de bijgeleverde informatie over de functies van uw systeembagagedrager in acht.
xVraag eventueel advies aan uw handelaar over de functies en passende accessoires.
Afb.: Bagagedrager met spanriemen
(bij wijze van voorbeeld)
Afb.: Low rider-bagagedrager
(bij wijze van voorbeeld)
Voertuig Grondslagen
13
1.9 Standaardvarianten
De standaard is een systeem om het voertuig
na gebruik rechtop te parkeren.
Modellen die zijn uitgerust met een
standaard beschikken over een zijstandaard
in het midden, tweebenige standaard
of een achtervorkstandaard (zie “Afb.:
Standaardvarianten”).
Wanneer uw voertuig niet is uitgerust met
een standaard en u een standaard wil laten
installeren:
xVraag advies aan uw handelaar over
het installeren van een standaard.
xZorg ervoor dat de standaard wordt
gemonteerd door uw handelaar.
xHoud er rekening mee dat het
aanbrengen van een standaard achteraf
niet toegestaan is bij een carbon frame.
1.9.1 Zijstandaards en achtervorkstandaards
1. Om de zijstandaard in het midden of de achtervorkstandaard naar beneden
te klappen, houdt u het voertuig vast.
2. Klap de zijstandaard of achtervorkstandaard met de voet naar beneden.
3. Zet het voertuig neer op de zijstandaard of achtervorkstandaard.
4. Zorg ervoor, vooraleer u het voertuig loslaat, dat het voertuig stevig op de zijstandaard
of achtervorkstandaard staat en niet kan omvallen.
xOm de zijstandaard of achtervorkstandaard opnieuw omhoog te klappen, ontlast
u de zijstandaard of achtervorkstandaard en klapt u hem met de voet naar boven.
2 31
Afb.: Standaardvarianten (bij wijze van voorbeeld)
1 Centrale tweebenige standaard
2 Centrale zijstandaard
3 Achtervorkstandaard
VoertuigGrondslagen
14
1.9.2 Tweebenige standaard
1. Om de tweebenige standaard in het midden naar beneden te klappen, houdt
u het voertuig vast.
2. Klap de tweebenige standaard met de voet naar beneden.
3. Fixeer de tweebenige standaard met de voet.
4. Schuif het voertuig naar achteren zodat het voertuig op de tweebenige standaard staat.
5. Zorg ervoor, vooraleer u het voertuig loslaat, dat het voertuig stevig op de tweebenige
standaard staat en niet kan omvallen.
xOm de tweebenige standaard omhoog te klappen, schuift u het voertuig naar voren.
De tweebenige standaard klapt door de beweging omhoog.
xZorg er voor de fietsrit voor dat de standaard volledig naar boven is geklapt en niet
over de grond sleept.
1.10 Roltrainer
WAARSCHUWING
Foutieve bediening van de roltrainer door een ontoereikende kennis.
Risico op ongevallen en verwondingen!
xLeer voor het gebruik en de bediening de functies van de
roltrainer kennen.
Bij het gebruik van roltrainers zijn uitsluitend de zogenaamde vrije rollen toegestaan.
Bij deze is het voertuig niet vast ingespannen.
Eventueel moeten de banden van het voertuig op de roltrainer worden aangepast.
Allerhande gemotoriseerde voertuigen zoals voertuigen van de categorie 0 en de types
kinderfiets 20" en jongerenfiets 24" mogen niet worden gebruikt op roltrainers.
Voertuig Grondslagen
15
1.11 Aero-stuur bij racefietsen
WAARSCHUWING
Verlengde remweg door een grotere afstand tot de remarmen.
Risico op ongevallen!
xLeer omgaan met het aero-stuur en hoe u de remarmen
moet vastgrijpen.
xRijd bijzonder vooruitziend als u het aero-stuur gebruikt.
Om bijvoorbeeld bij een triatlon of het tijdrijden op de racefiets een
aerodynamische positie te kunnen innemen, worden zogenaamde
aero-sturen gebruikt.
Aero-sturen mogen uitsluitend bij voertuigen van de categorie 1 en bij
racefietsen zonder ondersteuning van een motor worden geïnstalleerd.
De versnellingshendels van de aero-sturen
liggen vaak op het einde van het stuur
(zie hoofdstuk “Derailleur / Bediening /
Versnellingshendel bij een racefiets
bedienen”). De remarmen liggen op het
uiteinde van het basisstuur. Wanneer
de racefiets in een aerodynamische positie
wordt bestuurd, liggen de remarmen buiten
het directe handbereik van de bestuurder.
xLeer het rijgedrag van een aero-stuur
kennen en oefen het grijpen van
de remarmen op een terrein weg van
het wegverkeer.
xSluit bij het oefenen van de hantering
van het stuur andere gevarenbronnen
uit, zoals een ongeoefende omgang
met de klikpedalen. Beperk u in eerste
instantie tot het oefenen met het stuur.
xPas uw rijstijl aan de gewijzigde rij-eigenschappen aan.
1
2
Afb.: Afstand tussen versnellingshendels
en remarmen bij het aero-stuur
(bij wijze van voorbeeld)
1 Versnellingshendel
2 Remarm
VoertuigVoor de fietsrit
16
2 Voor de fietsrit
Dit hoofdstuk bevat informatie om het voertuig in gebruik te kunnen nemen.
2.1 Voor elke rit
WAARSCHUWING
Materiaalbreuk door slijtage door het gebruik en losse
schroefverbindingen.
Risico op ongevallen en verwondingen!
xKijk het voertuig voor elke rit na volgens de testinstructie.
xGebruik het voertuig uitsluitend als het niet is beschadigd.
xGebruik het voertuig alleen als u geen buitensporige slijtage
en geen losse schroef- en stekkerverbindingen vaststelt.
xKijk het voertuig voor elke rit na volgens de testinstructie.
Testinstructie
Schroef- en stekkerverbindingen Visuele inspectie van de schroef- en stekkerverbindingen
remmen Functiecontrole van de remmen
Versnelling Functiecontrole van de versnelling
Wielen Visuele inspectie van het correcte houvast en een
correcte positionering
Visuele inspectie van de steekassen, snelspanners
en/of schroeven
Band Visuele inspectie van de banden op barsten
of vreemde voorwerpen
Bandenspanning controleren en instellen
Frame Visuele inspectie van het frame op barsten, vervormingen
of kleurverandering
Vering Functiecontrole door het in- en uitveren
Velgen en spaken Visuele inspectie van de velgen en spaken
VoertuigVoor de fietsrit
18
6. Ga na of het stuur in een rechte hoek naar het voorwiel is gericht.
xWanneer het stuur niet in een rechte hoek tot het voorwiel staat, dient
u het in te stellen (zie hoofdstuk “Basisinstellingen / Stuur en stuurpennen /
Stuur positioneren”).
7. Ga na of de bel en de verlichting werken.
xGa na of u een duidelijk geluid hoort als u de bel gebruikt.
xSchakel de verlichting in en ga na of de voor- en achterlamp branden
(zie hoofdstuk “Basisinstellingen / Verlichting”). Bij voertuigen met dynamo
draait u hiervoor aan het voorwiel.
xVerwijder eventueel vuil van de koplamp, de reflectoren en het achterlicht.
2.2 Voor de eerste rit
WAARSCHUWING
Onverwacht gedrag van het voertuig door een verkeerd gebruik.
Risico op ongevallen en verwondingen!
xLeer voor de eerste rit het voertuig kennen.
Het voertuig werd volledig gemonteerd, afgesteld door uw handelaar en is rijklaar.
Aanvullend moeten voor de eerste rit volgende punten in acht worden genomen:
xLeer de indeling van de remarmen kennen.
xBent u de indeling van de remarmen voor de voorwiel- of achterwielrem niet gewoon,
laat ze dan veranderen door uw handelaar.
xLeer ook wennen aan de remeigenschappen van uw type van remmen bij een lage
snelheid (zie hoofdstuk “Rem”).
xGebruik bij hydraulische remmen meerdere keren de beide remarmen zodat
de remblokken in het remzadel worden gecentreerd.
xZorg ervoor dat het stuur, de zadelpen en de handgrepen stevig vastzitten.
xLeer op een terrein buiten het wegverkeer wennen aan de rij-eigenschappen van
uw voertuig.
xLeer op een terrein buiten het wegverkeer de versnelling hanteren tot u de versnelling
zodanig kunt bedienen dat uw aandacht niet wordt beïnvloed (zie hoofdstuk
“Derailleur” en “Naafversnellingen”).
xGa na of u bij langere ritten een comfortabele zitpositie inneemt en of u alle
componenten aan het stuur tijdens het fietsen veilig kunt bedienen (zie hoofdstuk
“Grondslagen / Zitpositie”).
Voertuig Veiligheid
19
3 Veiligheid
3.1 Algemene veiligheidsinstructies
GEVAAR
Ontbrekend hoofddeksel.
Risico op verwondingen!
xDraag bij het fietsen een geschikte helm.
WAARSCHUWING
Foutieve bediening van het voertuig door een ontoereikende kennis.
Risico op ongevallen en verwondingen!
xLeer voor het gebruik en de bediening de functies van het
voertuig kennen.
xAls de locatie van de remhendels voor de voor- of achterrem
u niet bekend is, maakt u zich er dan vertrouwd mee en rij vooral
in het begin voorzichtig.
WAARSCHUWING
Foutieve bediening door kinderen of personen met ontoereikende
kennis of vaardigheden.
Risico op ongevallen en verwondingen!
xZorg ervoor dat het voertuig niet wordt gebruikt door kinderen
met beperkte fysieke, sensorische of mentale vaardigheden
of een gebrek aan ervaring en vakkennis.
xZorg ervoor dat kinderen niet met het voertuig spelen.
Zorg ervoor dat de reiniging en het onderhoud niet door
kinderen of personen met beperkte fysieke, sensorische
of mentale vaardigheden worden uitgevoerd.
VoertuigVeiligheid
20
xZorg ervoor dat kinderen niet met de verpakking en kleine
onderdelen spelen.
De volgende veiligheidsinstructie is alleen geldig voor de voertuigcategorieën:
WAARSCHUWING
Breuk van componenten door een oneigenlijk gebruik van
het voertuig.
Risico op ongevallen en verwondingen!
xSpring met het voertuig niet over hellingen of heuvels.
xRijd met het voertuig niet over terreinen.
xRijd met de fiets niet over trappen, rotsen of andere treden met
een hoogte van meer dan 15 cm, bijv. hoge stoepranden.
De volgende veiligheidsinstructie is alleen geldig voor de voertuigcategorieën:
WAARSCHUWING
Breuk van componenten door een oneigenlijk gebruik van
het voertuig.
Risico op ongevallen en verwondingen!
xRijd met het voertuig alleen over dergelijke hindernissen
die mogelijk zijn volgens uw kunnen en uw ervaring.
Voertuig Veiligheid
21
WAARSCHUWING
Verkeerde montages, veranderingen aan het voertuig of verkeerde
accessoires kunnen storingen van het voertuig veroorzaken.
Risico op ongevallen en verwondingen!
xBreng geen veranderingen of aanpassingen aan de fiets
aan en laat uw dealer geen veranderingen aan de fiets
aanbrengen die de eigenschappen van de fiets veranderen
(bijv. ski's, bagagedragers, zijspannen).
xZorg ervoor dat kinderstoeltjes of fietskarren uitsluitend worden
gemonteerd door uw handelaar.
xZorg ervoor dat kinderstoeltjes of alle soorten van aanhangers
alleen worden gemonteerd na overleg met uw handelaar,
als uw voertuigcategorie of de voorschriften voor uw model
dit toelaten.
WAARSCHUWING
Een verlengde remweg en verminderde baanvastheid door
een gladde of vervuilde weg.
Risico op ongevallen en verwondingen!
xPas uw rijstijl en snelheid aan de weersomstandigheden
en situatie van het wegdek aan.
VOORZICHTIG
Ontbrekende controle van het voertuig door handenvrij fietsen.
Risico op ongevallen en verwondingen!
xRijd nooit met het voertuig zonder de handen te gebruiken.
VoertuigVeiligheid
22
VOORZICHTIG
Vangplaatsen aan het voertuig.
Risico op ongevallen en verwondingen!
xZorg ervoor dat kledingstukken niet verstrikt kunnen raken.
Draag geschikte kleding.
VOORZICHTIG
Afglijden door verkeerde schoenen.
Risico op ongevallen en verwondingen!
xDraag schoenen met een harde antislipzool.
VOORZICHTIG
Ontoereikende beschermende kleding.
Risico op verwondingen!
xDraag gepaste beschermende kleding afhankelijk van
uw voertuigcategorie en het gebruiksdoel van het voertuig
(bijv. protectoren en handschoenen).
VOORZICHTIG
Verminderde remwerking door zeepresten, olie, vet
of onderhoudsproducten op de velgen of remblokken
of op de remschijven.
Gevaar voor ongevallen en verwondingen!
xVermijd contact van vet en olie met de velg of de remschijf
en met de remblokken.
VoertuigVeiligheid
24
3.2 Instructies voor het wegverkeer
GEVAAR
Slechte zichtbaarheid voor andere weggebruikers.
Risico op ongevallen en verwondingen!
xDraag bij het fietsen heldere kleding met
reflecterende elementen.
WAARSCHUWING
Verkeerd of oneigenlijk gebruik.
Risico op ongevallen en verwondingen!
xNeem de nationale en regionale voorschriften voor
het wegverkeer in acht.
xGebruik het voertuig alleen in het wegverkeer als de uitrusting
beantwoordt aan de nationale en regionale voorschriften voor
het wegverkeer.
xRespecteer het voor uw voertuigcategorie geldende
reguliere gebruik.
WAARSCHUWING
Onoplettendheid in het wegverkeer.
Risico op ongevallen en verwondingen!
xLaat u tijdens het fietsen niet afleiden door andere activiteiten,
bijvoorbeeld door het inschakelen van de verlichting.
xGebruik tijdens het fietsen geen mobiele apparaten,
bijv. smartphone of MP3-spelers.
xGebruik tijdens het fietsen geen drankbussen.
xRijd niet met het voertuig wanneer u alcohol, verdovende
middelen of beïnvloedende medicamenten hebt ingenomen.
Voertuig Veiligheid
25
xInformeer u voor de eerste rit over de nationale en regionale voorschriften voor
de uitrusting. Bijvoorbeeld betreffende:
helmplicht
verplicht veiligheidsvest
remmen
verlichting en reflectoren
bel
Fietskarren en kinderstoeltjes
Aanhangwagens, kinderwagens en kinderzitjes
xGebruik fietskarren alleen als uw voertuig geschikt is voor het gebruik van fietskarren
(zie hoofdstuk “Veiligheid / Instructies voor het meenemen van kinderen / Fietskar”).
xGebruik kinderstoeltjes alleen als uw voertuig geschikt is voor het gebruik van
kinderstoeltjes (zie hoofdstuk “Veiligheid / Instructies voor het meenemen van
kinderen / Kinderstoel”).
xNeem de nationale en regionale voorschriften voor het wegverkeer in acht.
xNeem het wegenverkeersreglement in acht.
xRicht u tot uw handelaar als u vragen heeft.
Wetten en voorschriften kunnen op elk moment worden gewijzigd.
Informeer u regelmatig over de nationale en regionale voorschriften.
3.3 Instructies voor het meenemen van kinderen
GEVAAR
Breuk van componenten door overbelasting van het voertuig.
Risico op ongevallen en verwondingen!
xNeem het maximaal toegestane totale gewicht van het voertuig
in acht.
xBevestig geen andere zitjes, behalve goedgekeurde kinderzitjes
of kinderaanhangers.
xZorg ervoor dat een kinderstoeltje of fietskar wordt gemonteerd
door uw handelaar.
VoertuigVeiligheid
26
WAARSCHUWING
Ontbrekend hoofddeksel.
Risico op verwondingen!
xZorg ervoor dat uw kind steeds een geschikte en gepaste
helm draagt.
xVraag aan uw handelaar welke helm voor uw kind geschikt is.
xVraag aan uw handelaar dat hij toont hoe de helm bij uw kind
moet worden gebruikt.
VOORZICHTIG
Verbrandingsgevaar door hete schijfrem rotoren.
Risico op verwondingen!
xZorg ervoor dat uw kind niet in de buurt van het voertuig speelt.
VOORZICHTIG
Verwonding van uw kind door het omvallen van het voertuig.
Risico op verwondingen!
xHoud het voertuig steeds vast als u het neerzet, zolang uw
kind in het kinderstoeltje zit of zolang het in de buurt van het
voertuig verblijft.
xZorg ervoor dat uw kind niet onbewaakt in de buurt van het
geparkeerde voertuig speelt.
xZorg ervoor dat uw kind nooit in het kinderstoeltje of in de
fietskar blijft zitten wanneer u het voertuig op de fietsstandaard
plaatst om het te parkeren.
Voertuig Veiligheid
27
LET OP
Materiaalschade door overbelasting van het voertuig.
Beschadigingsgevaar!
xNeem het maximaal toegestane totale gewicht van het
voertuig in acht.
Het gebruik van kinderzitjes, kinderaanhangers en andere fietsaanhangers (laad-
en hondenaanhangers) is niet toegestaan voor fietsen van de categorieën 0 en 6.
Indien een kinderzitje of een aanhangwagen wordt gebruikt met een fiets van categorie
2, 3, 4 of 5, moet de bestuurder voldoen aan het beoogde gebruik van categorie 2.
De aangegeven gebruiksaanwijzing blijft geldig voor categorie 1.
Het gebruik van kinderzitjes, kinderaanhangers en andere fietskarren is niet toegestaan voor:
Fietsen met een carbonframe
Fietsen van het type S-elektrische fiets
Fietsen voor kinderen en jongeren met de wielmaten 12", 16", 20" en 24".
Volgende punten moeten in acht worden genomen vooraleer u kinderen meeneemt:
xVervoer een kind alleen in de kinderstoel of fietskar als de nationale en regionale
voorschriften dit toelaten.
xNeem voor het gebruik van kinderstoeltjes en fietskarren de nationale en regionale
voorschriften in acht.
xInformeer u bij een specialist over geschikte kinderstoelen en fietskarren.
xZorg ervoor dat kinderstoeltjes of fietskarren uitsluitend worden gemonteerd door
uw handelaar.
xNeem de bijgeleverde informatie van de fabrikant van de kinderstoel of fietskar
in acht.
xRespecteer het toegestane maximale gewicht voor de kinderstoel of fietskar
in de bijbehorende gebruiksaanwijzing.
xLeer op een terrein buiten het wegverkeer wennen aan het gewijzigde
rij- en remgedrag van uw voertuig met kinderstoel of fietskar.
xPas uw rijstijl aan de gewijzigde rij-eigenschappen aan.
xLeer uw kind het correcte gedrag aan tijdens het fietsen.
xVervoer een kind slechts in de kinderstoel of fietskar, als het een aangepaste helm
draagt. Vraag advies aan een specialist over de keuze van een geschikte helm.
VoertuigVeiligheid
28
3.3.1 Kinderstoel
VOORZICHTIG
Verwonding van uw kind door ontoereikende bescherming.
Risico op verwondingen!
xZorg ervoor dat bij de montage van een kinderstoel
de zadelveren volledig worden omhuld zodat verwondingen
worden vermeden.
xZorg er bij de montage van een kinderstoel voor dat alle
draaiende en beweeglijke componenten worden afgedekt,
bijvoorbeeld met een spaakbescherming.
LET OP
Beschadiging van voertuigcomponenten door een niet
goedgekeurde montage van een kinderstoel.
Beschadigingsgevaar!
xMonteer een kinderstoel nooit aan het stuur.
xMonteer een kinderstoel nooit op de zadelpen.
xMonteer een kinderstoel nooit op een bagagedrager vooraan.
xMonteer een kinderstoel nooit op een carbon frame.
De kinderstoel is een systeem voor
het meenemen van kleine kinderen
op het voertuig (zie “Afb.: Kinderstoel”).
Afb.: Kinderstoel (bij wijze van voorbeeld)
Voertuig Veiligheid
29
Bij het gebruik van een kinderstoel moeten volgende punten in acht worden genomen:
xZorg ervoor dat kinderstoeltjes slechts worden gemonteerd wanneer het voertuig
geschikt is voor de montage (zie hoofdstuk “Grondslagen / Regulier gebruik”).
Vraag advies aan uw handelaar over passende kinderstoeltjes.
xGebruik uitsluitend kinderstoeltjes die zodanig zijn aangebracht dat het kind achter
de bestuurder zit.
De montage van kinderstoeltjes is vanuit constructief opzicht niet mogelijk
bij elk voertuig. De bedienings- en montagehandleiding van de fabrikant van
de kinderstoel moet worden nageleefd. Bij een volledig geveerd frame moet
de afstemming van het veringssysteem worden gecontroleerd. Vraag advies
aan uw handelaar.
Kinderstoeltjes mogen ook op de bagagedrager worden gemonteerd als een systeem/
adapter van de speciaalzaak, geschikt voor de bagagedrager, wordt gebruikt.
Op een bagagedrager vooraan is de montage van een kinderstoel niet toegestaan.
3.3.2 Fietskar
De fietskar is een systeem voor het
meenemen van kleine kinderen. De fietskar
wordt achter het voertuig gespannen
(zie “Afb.: Fietskar”).
Bij het gebruik van een fietskar moeten volgende punten in acht worden genomen:
xZorg ervoor dat fietskarren slechts worden gemonteerd wanneer het voertuig
geschikt is voor de montage (zie hoofdstuk “Grondslagen / Regulier gebruik”).
Vraag advies aan uw handelaar over passende fietskarren.
xRespecteer de maximale aanhanglast.
xAls er op het voertuig niet anders is aangegeven, geldt:
De maximale aanhanglast voor ongeremde fietskarren bedraagt 40 kg.
De maximale aanhanglast voor geremde fietskarren bedraagt 80 kg.
Afwijkende informatie op het voertuig heeft voorrang.
xHoud er rekening mee dat uw voertuig met een fietskar beduidend langer is.
xVervoer uitsluitend het aantal kinderen dat is toegestaan voor de fietskar.
Afb.: Fietskar (bij wijze van voorbeeld)
VoertuigVeiligheid
30
xGebruik uitsluitend fietskarren met een functionerende verlichting die beantwoordt
aan de nationale en regionale voorschriften.
xKies een fietskar met kinderbeveiligingssysteem.
xZorg ervoor dat de fietskar wordt uitgerust met een buigzame vlaggenstang die
minstens 1,5 m hoog is en een lichtgevende vlag heeft en ook afdekkingen voor
de spaken en wielkasten.
De montage van aanhangerkoppelingen is vanuit constructief opzicht
niet mogelijk bij elk voertuig. Vraag advies aan uw handelaar.
3.4 Instructies over het transport
3.4.1 Instructies over de bagage
WAARSCHUWING
Valpartij door verkeerd vervoerde bagage.
Risico op ongevallen en verwondingen!
xTransporteer geen draagtassen of andere voorwerpen op het
stuur, behalve de systemen die eventueel door de fabrikant van
het voertuig zijn goedgekeurd.
xFixeer voorwerpen op de bagagedrager zodat ze niet wegglijden
en naar beneden vallen. Gebruik voor het fixeren van bagage
uitsluitend onbeschadigde spanriemen.
xGebruik stabiele fietstassen of passende accessoires voor
uw systeembagagedrager.
WAARSCHUWING
Gewijzigde rij-eigenschappen door extra gewicht.
Risico op ongevallen en verwondingen!
xLeer de rij-eigenschappen bij extra bagage kennen op een plaats
weg van het wegverkeer.
Voertuig Veiligheid
31
xControleer de gewichtsverdeling van uw bagage.
xVerdeel extra gewicht gelijkmatig over de beide kanten van
de bagagedrager of in het midden op de bagagedrager.
xAls u opmerkt dat uw rijveiligheid niet wordt gegarandeerd,
dient u de bagage te reduceren.
xPas uw rijstijl aan de gewijzigde rij-eigenschappen aan.
Volgende punten moeten in acht worden genomen voor het transport van bagage:
xPositioneer uw bagage zodanig dat reflectoren of lichten niet worden afgedekt.
xRem vroeger en plan een langere remweg en een trager stuurgedrag in.
xFixeer bagage op de bagagedrager zodat ze niet wegglijdt en naar beneden valt,
bijv. met spanriemen.
xBerg zware voorwerpen zodanig op dat het belangrijkste gewicht dichtbij de wielnaaf
ligt, bijv. onderaan in fietstassen.
xZorg ervoor dat bevestigingsmiddelen zoals riemen of kabels niet in de bewegende
delen verstrikt kunnen raken.
3.4.2 Instructies voor de montage van aanhangers
WAARSCHUWING
Breuk van componenten door een verkeerde montage
van de aanhangerkoppeling.
Risico op ongevallen en verwondingen!
xZorg ervoor dat aanhangerkoppelingen worden gemonteerd
door uw handelaar.
xZorg ervoor dat slechts aanhangers worden gemonteerd die met een
aanhangerkoppeling aan de achteras van het voertuig worden bevestigd.
Dit geldt niet voor modellen met een in het frame geïntegreerde houder voor de montage
van een aanhangwagenkoppeling.
xZorg ervoor dat de aanhangerkoppeling zeker niet aan andere delen van het frame
of aan componenten zoals de zadelpen wordt bevestigd.
VoertuigVeiligheid
32
3.4.3 Instructies over aanhangers voor lasten en honden
LET OP
Verkeerd gebruik van aanhangers voor lasten en honden.
Beschadigingsgevaar!
xOverschrijd nooit de maximale aanhanglast.
xFixeer lasten en voorwerpen in de aanhanger zodat ze niet
wegglijden en naar beneden vallen.
xNeem honden uitsluitend mee in geschikte aanhangers vor
honden. Gebruik geen aanhangers voor lasten of fietskarren.
Aanhangers voor lasten en honden zijn systemen voor het transport van bagage en andere
voorwerpen en voor het meenemen van honden. Aanhangers voor lasten en honden
worden achter het voertuig gespannen.
Bij het gebruik van aanhangers voor lasten en honden moeten volgende punten in acht
worden genomen:
xZorg ervoor dat aanhangers slechts worden gemonteerd wanneer het voertuig
geschikt is voor de montage (zie hoofdstuk “Grondslagen / Regulier gebruik”).
Vraag advies aan uw handelaar over passende aanhangers.
xRespecteer de maximale aanhanglast:
xAls er op het voertuig niet anders is aangegeven, geldt:
De maximale aanhanglast voor ongeremde aanhangers bedraagt 40 kg.
De maximale aanhanglast voor geremde aanhangers bedraagt 80 kg.
Afwijkende informatie op het voertuig heeft voorrang.
xHoud er rekening mee dat uw voertuig met een aanhanger beduidend langer is.
xGebruik uitsluitend aanhangers met een functionerende verlichting die beantwoordt
aan de nationale en regionale voorschriften.
De montage van aanhangerkoppelingen is vanuit constructief opzicht niet
mogelijk bij elk voertuig. Vraag advies aan uw handelaar.
Voertuig Veiligheid
33
3.4.4 Instructies over het transport van het voertuig met de wagen
GEVAAR
Gevaar voor andere weggebruikers door niet correct
bevestigde voertuigen.
Risico op ongevallen en verwondingen!
xAls u uw voertuig wilt transporteren met een
bevestigingssysteem op het dak of aan de achterzijde van
de wagen, dient u de bevestiging van het voertuig regelmatig
te controleren tijdens rijpauzes zodat wordt vermeden dat het
voertuig loskomt.
VOORZICHTIG
Niet gefixeerd transport van voertuigen en kleine onderdelen.
Risico op ongevallen en verwondingen!
xTransporteer het voertuig of onderdelen van het voertuig
nooit wanneer deze niet zijn gefixeerd in de binnenruimte
of kofferruimte van uw wagen.
xFixeer het voertuig met geschikte bevestigingssystemen voor
de binnenruimte wanneer u het voertuig in de kofferruimte
of binnenin uw wagen transporteert.
VoertuigVeiligheid
34
LET OP
Verkeerd gebruik van fietsendragers.
Beschadigingsgevaar!
xGebruik uitsluitend toegelaten fietsendragers waarmee het
voertuig rechtop kan worden getransporteerd.
xVraag advies over een passend dragersysteem aan een specialist.
xTransporteer voertuigen met hydraulische schijf- of
velgremmen nooit wanneer ze omgekeerd op het zadel
staan. Dit kan leiden tot het niet meer functioneren van
de hydraulische schijf- of velgremmen.
xFixeer het voertuig zodat het niet naar beneden kan vallen
of kan wegglijden.
Voor het transport van het voertuig met de wagen worden in de handel verschillende
dragersystemen aangeboden.
xVraag advies aan uw handelaar over de geschikte drager- en bevestigingssystemen.
xNeem de nationale en regionale voorschriften voor het wegverkeer in acht.
xNeem de bijgeleverde informatie van de fabrikant over de montage en het gebruik
in acht.
xHoud er rekening mee bij voertuigen met componenten van carbon dat de
klemkrachten de componenten van carbon kunnen beschadigen. Gebruik uitsluitend
speciale bevestigingssystemen.
xHoud bij voertuigen met een carbonframe rekening dat bij een verwijderde zadelpen
de klemring aan de zitbuisopening niet mag worden gesloten.
xBij een verwijderde zadelpen bevestigt u de klemring aan de zitbuisopening zodat
deze niet verloren gaat.
xHoud rekening met de gewijzigde hoogte van uw wagen wanneer u een
dragersysteem op het dak gebruikt. Meet voor de rit de precieze hoogte.
xMonteer bij schijfremmen de transportzekeringen wanneer u het voertuig zonder
wielen transporteert.
xNeem bij het transport van Pedelecs of S-Pedelecs de voorschriften in de originele
gebruiksaanwijzing voor het aandrijfsysteem in acht.
Voertuig Veiligheid
35
3.5 Instructies over draaimomenten
WAARSCHUWING
Materiaalmoeheid door niet deskundig vastdraaien van
de schroefverbindingen.
Risico op ongevallen en verwondingen!
xGebruik het voertuig niet wanneer u vaststelt dat
de schroefverbindingen los zitten.
xSchroefverbindingen moeten deskundig met een
draaimomentsleutel worden vastgedraaid.
xSchroefverbindingen moeten met de correcte draaimomenten
worden vastgedraaid.
xAls op twee met elkaar verbonden componenten verschillende
draaimomenten zijn vermeld, die betrekking hebben op dezelfde
verbindingsplaats, dan is steeds de lagere waarde van beide
waarden in acht te nemen.
Voor het correcte vastdraaien van de schroefverbindingen dienen de draaimomenten in acht
genomen te worden. Daarvoor is een draaimomentsleutel nodig met passend instelbereik.
xAls u geen ervaring met de hantering van draaimomentsleutels hebt of geen
geschikte draaimomentsleutel hebt, dient u de schroefverbindingen door uw
handelaar te laten controleren.
Het correcte draaimoment van een schroefverbinding is afhankelijk van het materiaal
en de diameter van de schroef en van het materiaal en de constructie van de component.
xAls u schroefverbindingen zelf vastdraait, dient u te controleren of uw voertuig
is uitgerust met componenten van aluminium of carbon (zie fiche met technische
gegevens, die u van uw handelaar hebt gekregen).
xNeem de speciale draaimomenten in acht bij componenten van aluminium
of carbon.
xAfzonderlijke componenten van het voertuig zijn aangeduid met gegevens over
draaimomenten of markeringen voor de insteekdiepte. Gelieve deze gegevens
en markeringen zeker te respecteren. Als op twee met elkaar verbonden
componenten verschillende draaimomenten zijn vermeld, dan is steeds de lagere
waarde van beide waarden in acht te nemen. Lees eventueel ook de bijgevoegde
handleiding van de componenten.
VoertuigVeiligheid
36
In de volgende tabel zijn niet alle componenten vermeld. De draaimomentinformatie
bestaat uit basiswaarden en geldt niet voor componenten van carbon.
Draaimomentgegeven die zijn afgestemd op de gemonteerde delen vindt u op de
componenten. Lees hiervoor ook de eventueel bijgevoegde handleiding van de
componenten. Ontbrekende draamomentgegevens vraagt u op bij uw handelaar.
Volgende draaimomentgegevens zijn doorgaans vermeld op de componenten
of in de handleidingen van componenten.
Schroefverbinding Type Draaimoment
Stuur / voorbouw ––– 5–6 Nm
Versnellingshendel / stuur (klemring) 4–5 Nm
Remhendel / stuur (klemring) 4–6 Nm
Voorbouw hoekversteling ––– 15–18 Nm
Voorbouw stuurbuis Quill-type (interne klemming) 8–15 Nm
A-Head (externe klemming) 6–10 Nm
Voorbouw schachtklauw A-Head 4 Nm
Zadel / zadelpen (spanverbinding met
cilinderkopschroef)
13-15 Nm
Zadelpen / schroef-klemring ––– 8–10 Nm
Pedaal / kruk (vorksleutel) 35–55 Nm
Voorwielas / vork & achterwielas /
frame
Naafdynamo (naaf-) moer 20–25 Nm
As voorwiel-/achterwielnaaf
met dopmoer
20–30 Nm
Als u schroefverbindingen los maakt en opnieuw vastdraait of als u los gemaakte
schroefverbindingen vastdraait, laat u de schroefverbindingen altijd in de toestand waarin
ze werden geleverd. Sommige droog, sommige ingesmeerd. Smeer zeker geen droog
geleverde schroefverbinding in.
xBeschikt u niet over de noodzakelijke vakkennis en benodigde gereedschappen,
laat dan schroefverbindingen door uw handelaar nakijken.
Voertuig Veiligheid
37
3.6 Instructies voor de draairichting van schroeven
LET OP
Materiaalschade door een verkeerde behandeling van
de schroefverbindingen.
Beschadigingsgevaar!
xLet op de draairichting van schroeven, steekassen en moeren.
xDraai schroeven, steekassen en moeren vast volgens de wijzers van de klok.
xDraai schroeven, steekassen en moeren los tegen de wijzers van de klok.
Bestaat er een uitzondering op deze regel, dan wordt er in het betreffende
hoofdstuk verwezen naar een gewijzigde draairichting. Let op de passende
instructies.
3.7 Instructies over de slijtage
WAARSCHUWING
Storingen door buitensporige slijtage, materiaalmoeheid of losse
schroefverbindingen.
Risico op ongevallen en verwondingen!
xControleer regelmatig uw voertuig.
xGebruik het voertuig niet wanneer u vaststelt dat er
buitensporige
slijtage aanwezig is of schroefverbindingen los zitten.
xGebruik het voertuig niet wanneer u barsten, vervormingen
of kleurveranderingen vaststelt.
xLaat het voertuig nakijken door uw handelaar wanneer
u buitensporige slijtage of losse schroefverbindingen vaststelt.
VoertuigVeiligheid
38
Een aantal voertuigcomponenten zijn onderdelen die onderhevig zijn aan
slijtage. Een intensief en verkeerd gebruik verhoogt en/of versnelt de slijtage.
Verschillende materialen hebben individuele slijtage-eigenschappen.
xVraag advies aan uw handelaar over de voertuigcomponenten die onderhevig zijn
aan slijtage.
xControleer regelmatig de toestand van onderdelen die onderhevig zijn aan slijtage
(zie hoofdstuk “Voor de fietsrit / Voor elke rit“ en “Onderhoud”).
xReinig en onderhoud regelmatig de delen die onderhevig zijn aan slijtage
(zie hoofdstuk “Reiniging” en “Onderhoud”).
xDe volgende onderdelen die onderhevig zijn aan slijtage verslijten bij een regulier
gebruik en worden uitgesloten van de garantie bij slijtage die veroorzaakt wordt door
het gebruik:
Wielen (velgen, spaken, naven)
Velgen in combinatie met een velgrem
Banden
Kettingwielen, rondsels, binnenlagers en derailleurwieltjes
Versnellings- en remkabels
Versnellings- en remkabelomhulsels
Remblokken en schijfrem rotoren
Diverse andere componenten van de rem
Stuurlinten en handvatten
Kettingen en tandriemen
Hydraulische oliën en smeermiddelen
Afdichtingen van veerelementen
Lampen
Verflagen
Zadel
Stuur van aluminium
Voertuig Veiligheid
39
3.8 Instructies over componenten van carbon
WAARSCHUWING
Falen van het materiaal door niet zichtbare barsten na een valpartij.
Risico op ongevallen en verwondingen!
xZorg ervoor dat componenten van carbon na een overbelasting
of een valpartij door uw handelaar worden gecontroleerd,
ook wanneer deze geen zichtbare schade vertonen.
xZorg ervoor dat componenten van carbon regelmatig worden
gecontroleerd door uw handelaar, ook wanneer ze niet zijn
blootgesteld aan een overbelasting.
xGebruik uw voertuig niet wanneer u schade vermoedt.
LET OP
Niet zichtbare barsten of breuken aan het carbonframe.
Beschadigingsgevaar!
xInstalleer nooit een fietsstandaard aan een carbonframe.
LET OP
Niet zichtbare barsten of breuken aan componenten van carbon.
Beschadigingsgevaar!
xZorg ervoor dat componenten van carbon niet worden
overbelast door valpartijen of hevige schokken.
xProbeer nooit componenten van carbon zelf te repareren
of te oriënteren.
xZorg ervoor dat componenten van carbon na een overbelasting
door uw handelaar worden gecontroleerd.
VoertuigVeiligheid
40
Componenten van carbon vereisen een speciale behandeling en een speciaal onderhoud.
Volgende punten moeten in acht worden genomen bij het onderhoud, het transport
of de bewaring:
xNeem de bijgeleverde informatie van de fabrikant in acht.
xGebruik een draaimomentsleutel om de correcte draaimomenten in te stellen.
xSmeer de componenten van carbon nooit in met gewoon vet. Gebruik speciale
montagepasta voor componenten van carbon.
xStel componenten van carbon nooit bloot aan een hoge temperatuur boven 45 °C.
xDeponeer uw voertuig voorzichtig en standvast zodat beschadigingen door valpartijen
en door het omvallen worden vermeden.
xKlem een carbonframe niet direct vast aan een montagestandaard. Monteer een
metalen zadelpen en klem deze in de montagestandaard.
xInstalleer nooit een fietsstandaard aan een carbonframe omdat dit kan leiden tot een
beschadiging van het frame.
3.8.1 Valpartijen en ongevallen
Door een valpartij of een ongeval kunnen componenten van carbon worden beschadigd.
Schade aan componenten van carbon zijn niet altijd zichtbaar. Vezels of verflagen kunnen
loskomen of worden aangetast en de stevigheid van de componenten kan verminderen.
xZorg ervoor dat componenten van carbon na een valpartij of een ongeval door
uw handelaar worden vervangen.
3.8.2 Fietsendrager
De fietsendrager is een systeem om voertuigen met de wagen te transporteren.
Bij de klemmen van fietsendragers bestaat het gevaar voor beknelling aan het
carbonframe. Dit kan bij het verdere gebruik leiden tot materiaalbreuk. Er bestaan
specifiek voor carbonfietsen vervaardigde fietsendragers.
xInformeer u bij uw handelaar over geschikte fietsendragers.
3.8.3 Draaimomenten
Voor schroefverbindingen van componenten van carbon moeten speciale draaimomenten
worden nageleefd. De toegelaten draaimomenten vindt u op de betreffende componenten.
Te hoge draaimomenten kunnen leiden tot beschadigingen die nauwelijks zichtbaar zijn.
De componenten kunnen breken of veranderen en valpartijen veroorzaken.
Voertuig Veiligheid
41
Als u schroefverbindingen los maakt en opnieuw vastdraait of als u los gemaakte
schroefverbindingen vastdraait, laat u de schroefverbindingen altijd in de toestand waarin
ze werden geleverd. Sommige droog, sommige ingesmeerd.
Smeer zeker geen droog geleverde schroefverbinding in.
xNeem de bijgeleverde informatie van de fabrikant in acht over de montage.
xBeschikt u niet over de noodzakelijke vakkennis en benodigde gereedschappen,
laat dan schroefverbindingen door uw handelaar nakijken.
3.9 Restrisico’s
Ondanks de naleving van alle veiligheidsinstructies en waarschuwingen is het gebruik
van het voertuig verbonden met bijvoorbeeld de volgende onvoorzienbare restrisico’s:
Verkeerd gedrag van andere weggebruikers
Onvoorzienbare toestand van het wegdek, bijv. bij gladheid door ijzel
Onvoorzienbare materiaalfouten of -moeheid kunnen leiden tot het breken of het
niet meer functioneren van componenten.
xRijd proactief en defensief.
xKijk het voertuig voor elke fietsrit na op barsten, kleurveranderingen of beschadigingen.
xControleer voor elke rit of de componenten voor de veiligheid werken, bijvoorbeeld
remmen, verlichting en bel.
xLaat het voertuig na een valpartij of een ongeval door uw handelaar nakijken op schade.
VoertuigBasisinstellingen
42
4 Basisinstellingen
Dit hoofdstuk bevat informatie over de basisinstelling van het voertuig en informatie
om het voertuig in gebruik te kunnen nemen.
4.1 Snelspanners
LET OP
Materiaalbreuk door een verkeerde hantering van componenten.
Beschadigingsgevaar!
xKantel de hendel van de snelspanner uitsluitend met de hand.
Gebruik nooit werktuigen of andere hulpmiddelen om de hendel
te kantelen.
De snelspanner is een spansysteem waarmee
instellingen en montages en ook demontages
aan het voertuig snel en zonder gereedschap
kunnen worden uitgevoerd. Door het kantelen
van de snelspan hevel wordt er met behulp
van het excentrisch mechanisme spanning
opgebouwd. De snelspanner bestaat uit twee
hoofdelementen: de snelspan hevel
en de asmoer.
Snelspanners hebben vaak twee extra veren
en soms een aparte schijf onder de hendel.
Wanneer bij de bediening van de snelspan
hevel geen spanning wordt opgebouwd, moet
de snelspanner opnieuw worden ingesteld.
xDraai de snelspanner sluitmoer rechtsom
op de as open tot u bij het aanleggen van
de snelspan hevel merkt dat de spanning
wordt opgebouwd.
Afb.: Samenstelling van de snelspanner
(bij wijze van voorbeeld)
1 Naafasmoer
2 Snelspan hevel
A Geopende snelspan hevel
B Gesloten snelspan hevel
1
2
A
B
Voertuig Basisinstellingen
43
4.2 Zadel
WAARSCHUWING
Verkeerde instelling van de zadelpen.
Risico op ongevallen en verwondingen!
xGelieve de minimale insteekdiepte van de zadelpen
te respecteren.
xBeschikt u niet over de noodzakelijke vakkennis en
gereedschappen voor de montage van de zadelpen,
richt u dan tot uw handelaar.
LET OP
Materiaalbreuk door een verkeerde hantering van componenten.
Beschadigingsgevaar!
xKantel de hendel van de snelspanner uitsluitend met de hand.
Gebruik nooit werktuigen of andere hulpmiddelen om de hendel
te kantelen.
xHoud bij voertuigen met een carbonframe rekening dat bij een
verwijderde zadelpen de klemring aan de zitbuisopening niet
mag worden gesloten.
xHet inkorten van de zadelpen is niet toegestaan. Dit kan leiden
tot een breuk of barst van de zadelbuis.
xBij een verwijderde zadelpen bevestigt u de klemring aan de zitbuisopening zodat
deze niet verloren gaat.
xZorg ervoor dat het zadel door uw handelaar zodanig wordt ingesteld dat u een
comfortabele zitpositie bereikt, alle componenten aan het stuur goed kunt bedienen
en tenminste met de tenen veilig de grond kunt aanraken.
VoertuigBasisinstellingen
44
4.2.1 Zadelhoogte instellen
Afhankelijk van het model is het voertuig uitgerust
met een vaste zadelpen of een telescopische
zadelpen. Beide soorten zadelpennen kunnen ofwel
met een zadelpenklem met klemschroef of met een
zadelpenklem met snelspanner worden bevestigd.
Via de zadelpenklem kan de hoogte van het zadel
worden ingesteld.
Bij een aantal voertuigmodellen is het niet mogelijk
de zadelpen volledig in de zadelbuis te steken.
Stoot de zadelpen op een hindernis in de zadelbuis,
dan trekt u de zadelpen er vanaf dit punt ca. 5 mm naar
boven uit en bevestigt deze.
Kunt u daardoor geen optimale zitpositie bereiken, laat dan eventueel een kortere zadelpen
door uw handelaar monteren.
xVoor meer informatie over de telescopische zadelpen dient u het hoofdstuk
“Telescopische zadelpen” te lezen).
Als uw voertuig beschikt over een zadelpenklem met klemschroef:
1. Houd het zadel vast en draai de klemschroef tegen de wijzers van de klok los tot
de zadelpen kan worden bewogen in de zadelbuis.
2. Trek de zadelpen uit tot de gewenste hoogte.
xRespecteer de bepalingen over de minimale insteekdiepte en uittrekhoogte.
3. Draai de klemschroef volgens de wijzers van de klok vast om de zadelpenklem te sluiten.
xRespecteer het toegelaten draaimoment (zie hoofdstuk “Veiligheid / Instructies
over draaimomenten”).
4. Ga na of het zadel correct zit, het mag niet gedraaid kunnen worden.
xKunt u het zadel verdraaien, controleer dan de zadelpenklem.
Als uw voertuig beschikt over een zadelpenklem
met snelspanner:
1. Houd het zadel vast en kantel
de snelspan hevel naar buiten.
2. Trek de zadelpen uit tot de gewenste
hoogte.
xRespecteer de bepalingen over
de minimale insteekdiepte en
uittrekhoogte. Afb.: Snelspanner (bij wijze van voorbeeld)
1 Stelschroef
2 Snelspan hevel
2
1
90°
Afb.: optimale zadelhoogte (voorbeeld)
Voertuig Basisinstellingen
45
3. Kantel de snelspan hevel naar binnen tot deze tegen de zadelbuis ligt,
om de zadelpenklem te sluiten.
xAls de span hevel niet met de hand kan worden gekanteld, is de voorspanning
te hoog ingesteld. Corrigeer de voorspanning door de stelschroef een beetje
los te maken en kantel de span hevel opnieuw.
4. Ga na of het zadel correct zit, het mag niet gedraaid kunnen worden.
xAls u het zadel kunt verdraaien, is de voorspanning te laag ingesteld.
Corrigeer de voorspanning met de stelschroef die u een beetje vastdraait.
4.2.2 Minimale insteekdiepte
Zadelpennen hebben een minimale insteekdiepte die op de buis is gemarkeerd en aantoont
tot waar ze tenminste op de zadelbuis moeten zijn ingeschoven.
WAARSCHUWING
Barst of breuk van de zadelbuis door het inkorten van de zadelpen.
Risico op ongevallen en verwondingen!
xGelieve de minimale insteekdiepte van de zadelpen
te respecteren.
xKort nooit de zadelpen in.
xGelieve de minimale insteekdiepte van
de zadelpen te respecteren. De markering
op de zadelpen mag niet zichtbaar zijn
(zie “Afb.: Minimale insteekdiepte van
de zadelpen”).
xZorg ervoor dat de hoogte van het zadel
wordt ingesteld door uw handelaar.
Afb.: Minimale insteekdiepte van de zadelpen
(bij wijze van voorbeeld)
1 Zadelpenklem
2 Markering voor de minimale insteekdiepte
12
VoertuigBasisinstellingen
48
Om het voertuig aan de grootte van de bestuurder aan te passen, moet onder andere
de hoogte van het stuur worden ingesteld.
xZorg ervoor dat het stuur door uw handelaar zodanig wordt ingesteld dat u een
comfortabele zitpositie bereikt en alle componenten aan het stuur goed kunt bedienen.
4.3.1 Minimale insteekdiepte
Stuurpennen met schacht hebben een minimale insteekdiepte die op de buis is gemarkeerd
en aantoont tot waar ze tenminste in de binnenbalhoofdbuis moeten zijn geschoven.
xGelieve de minimale insteekdiepte van
de stuurpen te respecteren. De markering
op de stuurpen of -schacht mag niet
zichtbaar zijn (zie “Afb.: Markering van
de minimale insteekdiepte bij een stuurpen
met schacht met inwendige klemming”).
xHoud er rekening mee dat de verstelling
in de hoogte bij Ahead-stuurpennen die
de binnenbalhoofdbuis omvatten en van
buiten door schroeven worden geklemd,
vakkennis vereist. De hoogte van het
stuur bij deze soort van stuurpennen
wordt via afstandschijven ingesteld
en is beperkt door de lengte van
de binnenbalhoofdbuis.
xZorg ervoor dat uw handelaar de instellingen doet.
4.3.2 Stuurpeninclinatie instellen
Afhankelijk van het voertuigmodel is het voertuig uitgerust met een stuurpen met
instelbare inclinatiehoek. De inclinatie van het stuur moet zodanig zijn ingesteld dat
de polsen en onderarmen bij het fietsen een lijn vormen.
xMaak de zijdelingse schroef voorzichtig
los tot de vertanding los komt.
xDuw met de duim op de schroefkop om
de stuurpen los te maken.
Afb.: Markering van de minimale insteekdiepte bij
een stuurpen met schacht met inwendige
klemming (bij wijze van voorbeeld)
Afb.: Zijlingse schroef aan de stuurpen
(bij wijze van voorbeeld)
Voertuig Basisinstellingen
49
xStel de inclinatie van de beweeglijke
stuurpen naar uw wens in.
xDuw het losgemaakt instelgedeelte
opnieuw in de stuurpen tot de pal
opnieuw in de vertanding grijpt.
xDraai de schroef vast met het aanbevolen
draaimoment volgens de wijzers van
de klok.
4.3.3 Stuur positioneren
Het stuur moet in een hoek van 90° tot het
voorwiel staan.
xLaat het stuur instellen door uw
handelaar als het stuur niet in een
rechte hoek tot het voorwiel staat
(zie “Afb.: Correcte stuurpositie”).
4.4 Bedieningselementen
Bedieningselementen (bijv. bel, remarm, versnelling enz.) moeten zodanig zijn gepositioneerd
dat ze gemakkelijk kunnen worden bediend tijdens het fietsen zonder dat u wordt afgeleid van
het wegverkeer, en indien mogelijk zonder de handen van de handvatten te nemen.
xZorg ervoor dat de bedieningselementen door uw handelaar worden ingesteld
wanneer u niet beschikt over de noodzakelijke vakkenis of gereedschappen.
4.5 Remarm
WAARSCHUWING
Verlies van remvermorgen door niet juist ingestelde remmen.
Risico op ongevallen en verwondingen!
xZorg ervoor dat instellingen aan de remmen uitsluitend worden
verricht door uw handelaar.
Afb.: Verstelling van inclinatie
(bij wijze van voorbeeld)
Afb.: Correcte stuurpositie (bij wijze van voorbeeld)
VoertuigBasisinstellingen
50
xVerricht geen instellingen aan de remmen wanneer u niet
beschikt over de noodzakelijke vakkenis en gereedschappen.
xDe instelling van het remsysteem is zeer complex en vereist vakkenis. Zorg ervoor
dat uw handelaar de instellingen doet.
4.5.1 Controleer de plaatsing van de remhendels
xControleer de plaatsing van de remhendels en maak uzelf vertrouwd met
een eventueel andere plaatsing dan u gewend bent.
De remhendels worden meestal als volgt op een (elektrische) fiets gemonteerd
(uitzondering mogelijk in het Verenigd Koninkrijk):
- rechts voor het achterwiel
- links voor het voorwiel
- bij slechts één remhendel (+terugtraprem) is deze remhendel voor het voorwiel
De remhendels bij S-elektrische fietsen zijn als volgt gemonteerd:
- links voor het achterwiel
- rechts voor het voorwiel
4.5.2 Positie instellen
De positie van de remarm moet individueel
worden ingesteld zodat de remarmen
comfortabel en veilig kunnen worden bediend.
xMaak de bevestiging van de remarm
los met de schroef van de remarm die
u er tegen de wijzers van de klok uitdraait
(zie “Afb.: Positie van de remarmen”).
Afb.: Positie van de remarmen
(bij wijze van voorbeeld)
Voertuig Basisinstellingen
51
xPositioneer de remarm zodanig dat
de vingers, pols en arm een rechte
lijn vormen en de vingers gemakkelijk
op de remarm liggen en veilig aan
de hendel kunnen trekken.
xDraai de schroef van de remarm
er rechtsom in. Let op het correcte
draaimoment.
4.5.3 Greepafstand instellen
De greepafstand van de remarm moet
individueel worden ingesteld zodat de
remarmen gemakkelijk en veilig kunnen worden
bediend. Mechanische en hydraulische remmen
beschikken doorgaans over een stelschroef aan
de remarm (zie “Afb.: Positie stelschroef”).
Wanneer wordt gedraaid aan de stelschroef,
wordt de afstand tussen remarm en handvat
gewijzigd. Afhankelijk van de soort rem varieert
de positie van de stelschroef.
1. Verwijder de beschermkap van
de stelschroef, indien aanwezig.
2. Stel de remarm in op de greepafstand
van uw hand met de stelschroef die u in-
of uitdraait.
3. Controleer de minimale afstand met het
gebruik van de remarm.
xIs de afstand tussen gebruikte remarm
en handvat geringer dan 1 cm, stel
dan de remkabelspanning of het
drukpunt in (zie hoofdstuk “Rem /
Instellingen / Remkabelspanning
bij mechanische remmen instellen”
of hoofdstuk “Rem / Instellingen /
Drukpunt instellen”).
4. Plaats de beschermkap op de stelschroef, indien aanwezig.
1
1
Afb.: Positie stelschroef (bij wijze van voorbeeld)
1 Stelschroef greepafstand
1
A
B
C
Afb.: Ergonomische handpositie (voorbeeld)
VoertuigBasisinstellingen
52
4.6 Pedalen
De pedalen zijn bevestigd aan de cranks. Met de voeten wordt het voertuig via
de pedalen aangedreven.
Afhankelijk van het voertuigmodel is het voertuig uitgerust met klap-, blok- of klikpedalen.
xHoud er bij de montage van pedalen rekening mee dat het rechter pedaal met een
rechtse schroefdraad en het linker pedaal met een linkse schroefdraad is uitgerust.
Het vastdraaien van de pedaalschroefdraad in de crank gebeurt bij beide pedalen door
het indraaien in de rijrichting en beide pedalen worden losgemaakt door het uitdraaien
in tegenovergestelde richting van de rijrichting.
4.6.1 Klappedaal
VOORZICHTIG
Verkeerd in- en uitklappen van de pedalen.
Risico op verwondingen!
xZorg ervoor dat uw vingers niet bekneld raken in het
klapmechanisme.
xDraag eventueel beschermende handschoenen.
Bij het klappedaal gaat het om een pedaal met een klapmechanisme. Om het voertuig weg
te bergen en te transporteren, kunnen de pedalen worden ingeklapt zodat deze dicht tegen
het voertuig liggen.
xLeer voor het eerste gebruik het klapsysteem kennen.
xNeem de bijgeleverde informatie van de fabrikant in acht over het gebruik
van klappedalen.
xVraag eventueel uitleg aan uw handelaar over het klapmechanisme.
Afb.: Klappedaal uitgeklapt (bij wijze van voorbeeld) Afb.: Klappedaal ingeklapt (bij wijze van voorbeeld)
Voertuig Basisinstellingen
53
4.6.2 Blokpedaal
Bij een blokpedaal gaat het om de klassieke
variant van het pedaal (zie “Afb.: Blokpedaal”).
4.6.3 Klikpedaal
WAARSCHUWING
Valpartij door het niet tijdig losmaken van de schoenen uit
het kliksysteem.
Risico op ongevallen en verwondingen!
xMaak de schoenen tijdig los uit de kliksystemen van de pedalen
vooraleer u stopt.
xLeer de schoenen vastklikken en losmaken uit de kliksystemen
op een plaats buiten het wegverkeer.
Het klikpedaal beschikt over een systeem
waarin de hiervoor voorziene schoenen
kunnen vastklikken (zie “Afb.: Klikpedaal”).
Door het vastklikken van de schoen in het
kliksysteem ontstaat er een vaste verbinding
tussen voet en pedaal waardoor een groter
houvast en meer stabiliteit worden geboden.
xLeer voor het eerste gebruik het
kliksysteem kennen.
xStel voor het eerste gebruik het
activeermoment en de pedaalplaat in.
xAls u niet beschikt over de noodzakelijke
vakkenis voor de instelling van de pedalen
dient u zich richten tot uw handelaar.
Afb.: Blokpedaal (bij wijze van voorbeeld)
Afb.: Klikpedaal (bij wijze van voorbeeld)
VoertuigBasisinstellingen
54
4.6.4 Ruimte voor de voeten
WAARSCHUWING
Risico op valpartij door te geringe ruimte voor de voeten.
Risico op ongevallen en verwondingen!
xZorg voor voldoende ruimte voor de voeten naargelang van
uw voetfixeersysteem.
xZorg ervoor dat het voetfixeersysteem wordt gemonteerd door
een specialist.
Bij racefietsen mag de afstand tussen pedaal en
voorwiel niet lager zijn dan een bepaalde waarde
voor de ruimte voor de voeten. De afstand wordt
gemeten van het middelpunt van de pedaal
parallel met de lengteas van het voertuig tot
de cirkelboog van het ingeslagen voorwiel
(zie “Afb.: Afstand tussen pedaal en voorwiel”).
Ruimte voor de voeten bij racefietsen
zonder voetfixeersysteem* 100 mm
met voetfixeersysteem* 89 mm
*Voetfixeersystemen: bijv. klikpedaal
of pedaalhaak
1
2
3
4
Afb.: Afstand tussen pedaal en voorwiel
(bij wijze van voorbeeld)
1 Voorwiel
2 Ronde boog van het ingeslagen voorwiel
3 Voetruimte = afstand tussen pedaal
en voorwiel
4 Middelpunt pedaal
Voertuig Basisinstellingen
55
4.7 Verlichting
GEVAAR
Slechte zichtbaarheid voor andere weggebruikers.
Risico op ongevallen en verwondingen!
xSchakel de verlichting in bij slecht zicht en in het donker.
WAARSCHUWING
Onoplettendheid in het wegverkeer door het inschakelen van
de verlichting.
Risico op ongevallen en verwondingen!
xSchakel de verlichting niet in tijdens het fietsen. Stop steeds
om de verlichting in te schakelen.
WAARSCHUWING
Bepaalde standaard voorgemonteerde verlichting kan grote hitte
ontwikkelen, vooral bij stilstand, en kan brandwonden veroorzaken
als de verlichting wordt aangeraakt.
Gevaar voor verwondingen!
xRaak de verlichting niet aan tijdens of kort na gebruik
om brandwonden te voorkomen.
Voor de deelname aan het wegverkeer moeten de verlichting en de reflectoren
beantwoorden aan de nationale en regionale voorschriften.
xNeem de nationale en regionale voorschriften voor de verlichting in acht.
xInformeer u hierover voor de eerste rit. Installeer eventueel achteraf elementen
op het voertuig in overeenstemming met de voorschriften. Richt u tot uw
handelaar hiervoor.
VoertuigBasisinstellingen
56
De verlichting bestaat uit een voorlamp, achterlamp en ook reflectoren en zorgt voor
een betere zichtbaarheid bij slecht zicht en ’s nachts.
Afhankelijk van het voertuigmodel is het voertuig uitgerust met een vast gemonteerde
naafdynamo-verlichting of een steekverlichting op batterij.
4.7.1 Naafdynamo
De naafdynamo bevindt zich aan de voorwielnaaf en is verbonden met de voorlamp.
De achterlamp is aangesloten op de voorlamp. De naafdynamo voorziet de verlichting
van energie zodra het voorwiel draait.
De verlichting wordt bij een naafdynamo doorgaans direct aan de voorlamp of aan het
stuur ingeschakeld. Gebruikt men de schakelaar, dan wordt de achterlamp samen met
de voorlamp ingeschakeld.
xGebruik de schakelaar om de verlichting in en uit te schakelen.
Afhankelijk van het model van de verlichting is een lichtsensor geïntegreerd
in de verlichting. In de automatische modus gebeurt het in- en uitschakelen van
de voor-en achterlamp automatisch, afhankelijk van de zichtbaarheid.
xOm de lichtsensor in te schakelen, stelt u de automatische modus in.
Afhankelijk van het model van de verlichting is de achterlamp van uw voertuig uitgerust met
een standlichtfunctie die de achterlamp enkele minuten langer laat branden ook wanneer
het fietsen wordt onderbroken. Deze functie moet niet afzonderlijk worden ingeschakeld.
Er zijn verschillende soorten voorlampen met verschillende
inschakelmogelijkheden. Vraag uitleg aan uw handelaar over de bediening
en de functie.
4.7.2 Accu- en batterijverlichting
Afhankelijk van het model van de verlichting zijn voor- en achterlamp uitgerust met
verschillende aan/uit schakelaars en moeten onafhankelijk van elkaar worden gebruikt.
xOm de verlichting in en uit te schakelen, gebruikt u de passende schakelaar.
xNeem de bijgevoegde informatie van de fabrikant over de bediening en de montage
van de accu- en batterijverlichting in acht.
VoertuigBasisinstellingen
58
LET OP
Kloppende geluiden door verkeerd ingestelde vering.
Beschadigingsgevaar!
xMerkt u harde schokken of opvallende geluiden op bij het
inveren, laat dan de vering door uw handelaar nakijken.
Veringen verminderen de krachten die op de bestuurder inwerken bij oneffenheden van
het wegdek.
Bij een hobbelige ondergrond kunnen voertuigen met een afgestemde vering efficiënter
en aangenamer worden bestuurd.
xNeem de bijgevoegde informatie van de fabrikant in acht over de functies
en instellingen van uw vering.
Voertuig Rem
59
5 Rem
5.1 Grondslagen
Het voertuig is uitgerust met minstens twee van elkaar onafhankelijke remmen.
Afhankelijk van het voertuigmodel zijn de volgende remmen gemonteerd:
Terugtraprem
Velgrem
Schijfrem
5.1.1 Terugtraprem
Voertuigen met naafversnelling en voertuigen
zonder versnelling zijn vaak uitgerust met een
terugtraprem. Deze is geïntegreerd in de
achterwielnaaf van het voertuig en wordt via
de pedalen gebruikt (zie “Afb.: Terugtraprem”).
5.1.2 Remarm
Met de remarmen worden de remmen bediend. De krachtoverdracht gebeurt mechanisch
of hydraulisch. Bij de mechanische versie wordt de kracht van de remarm via een remkabel
op de rem overgedragen. Bij de hydraulische versie wordt de kracht van de remarm
via remleidingen, waarin zich een remvloeistof bevindt, op de rem overgedragen.
Is het voertuig uitgerust met slechts een remarm, dan wordt hiermee de voorwielrem
bediend. De achterwielrem is de terugtraprem.
Is het voertuig uitgerust met twee remarmen,
dan bevindt zich doorgaans links de remarm
voor de voorwielrem en rechts de remarm
voor de achterwielrem (zie “Afb.: Indeling
van de remarmen”).
xHoud er rekening mee dat de indeling
van de remarmen kan variëren. Leer
de indeling van de remarmen kennen
vooraleer u begint te fietsen. Richt
u tot uw handelaar als u de indeling van
de remarmen wilt laten wijzigen.
Afb.: Terugtraprem (bij wijze van voorbeeld)
2
1
Afb.: Indeling van de remarmen
(bij wijze van voorbeeld)
1 Remarm voorwiel
2 Remarm achterwiel
VoertuigRem
60
5.1.2.1 Schijfrem
De schijfrem rotoren zijn bevestigd aan
de wielnaven en het bijbehorende remzadel aan
het frame of de voorvork (zie “Afb.: Schijfrem”).
Binnenin het remzadel bevinden zich de
remblokken. Bij de bediening van de remarm
worden de remblokken tegen de schijfrem
rotor geduwd en ze remmen het wiel af.
5.1.2.2 Velgrem
Velgremmen zijn bevestigd aan de voorvork of achtervork. Bij bediening worden
de remblokjes en -houder tegen de remflank van de velg geduwd en remmen het wiel
af (zie “Afb.: Mechanische velgremmen” en “Afb.: Hydraulische velgrem”).
Afhankelijk van de remuitvoering is de mechanische velgrem uitgerust met een
remkrachtmodulator. De remkrachtmodulator doseert vooraan gedeeltelijk de kracht van
de remarm en verhindert dat het voorwiel blokkeert. De remkrachtmodulator is ingebouwd
tussen remarm en velgrem.
Afb.: Mechanische velgremmen (bij wijze van voorbeeld)
1 Kabel
2 Band
3 Velg
4 Remblokhouders
1
3
2
4
2
3
1
4
1
3
2
4
1
2
Afb.: Schijfrem (bij wijze van voorbeeld)
1 Remzadel
2 Schijfrem rotor
VoertuigRem
64
5.5 ABS-systeem
Het is mogelijk dat er een ABS-systeem op uw fiets is geïnstalleerd.
Het ABS-systeem werkt zodanig dat wanneer de remmen worden gebruikt, de sensoren
op het voorwiel de kritische remdruk detecteren, deze beperken en zo de remkracht
stabiliseren. Als de remkracht eenmaal gestabiliseerd is, bouwt het ABS-systeem de
remdruk continu op totdat het voorwiel weer op de blokkeergrens is gebracht. Als het
voorwiel weer blokkeert, wordt de druk weer vrijgegeven. Het proces wordt herhaald
om het voorwiel te allen tijde op de grens van de grip te houden, zodat de wrijving tussen
de banden en het wegdek optimaal blijft.
Alle verdere informatie over het ABS-systeem vindt u in de bijgeleverde aanvullende instructies.
Voertuig
Rem
66
5.6.2 Drukpunt instellen
Bij hydraulische remmen wordt een geringe
slijtage van de remblokken met stelschroef
voor het drukpunt gecompenseerd
(zie “Afb:. Positie stelschroef”). De stelschroef
bevindt zich doorgaans aan de remarm.
Bij remmen zonder stelschroef wordt
de afstand automatisch ingesteld.
Afhankelijk van de draairichting wordt
de afstand tussen velg en remblok vergroot
of verkleind.
xBij velgremmen draait u geleidelijk aan de stelschroef tot de afstand tussen velg
en beide remblokken 1–2 mm bedraagt.
xZorg ervoor dat de remblokjes en -houders aan beide kanten gelijktijdig tegen
de velg slaan.
xZorg ervoor dat het wiel rond draait (zie hoofdstuk “Wielen en banden /
Velgen en spaken”).
xBij schijfremmen draait u geleidelijk aan de stelschroef tot het gewenste drukpunt
aan de remmen wordt ingesteld.
Afb.: Positie stelschroef (bij wijze van voorbeeld)
1 Instelschroef drukpunt
1
Voertuig Derailleur
67
6 Derailleur
6.1 Grondslagen
Afhankelijk van het voertuigmodel wordt doorgaans bij alle moderne voertuigen een
versnelling gemonteerd. Uitzonderingen zijn bijv. kinderfietsen die naargelang van het
model slechts met een versnelling zijn uitgerust.
De versnelling bij het voertuig bestaat uit een schakelbare transmissie en de bijbehorende
bedieningselementen. Daardoor wordt het door de bestuurder geleverde vermogen
aangepast aan de rijsnelheid en de toestand van het wegdek.
De derailleur bestaat uit 1 tot 3 kettingwielen aan de pedaalaandrijving en 6 tot 12 rondsels
aan het achterwiel (zie “Afb.: Componenten van een derailleur”). Het schakelen van de
rondsels of de kettingwielen gebeurt doorgaans via aparte bedieningseenheden aan
de rechter en eventueel de linker kant van het stuur (zie hoofdstuk “Derailleur / Bediening”).
De instelling van de versnelling vereist vakkennis.
xBeschikt u niet over de noodzakelijke vakkenis en gereedschappen, richt u dan tot
uw handelaar.
6.1.1 Mechanische derailleur
xTrap bij het schakelen slechts met
geringe kracht.
Het theoretische aantal versnellingen blijkt
uit het product “Kettingwielen x rondsels”
(zie hoofdstuk “Derailleur / Grondslagen /
Tandwielcombinaties”).
Hoe kleiner het rondsel, des te hoger
de gekozen versnelling is en des te lager
de trapfrequentie.
Hoe groter het rondsel, des te lager
de gekozen versnelling is en des te hoger
de trapfrequentie.
Hoe kleiner het kettingwiel, hoe hoger
de trapfrequentie.
xGebruik een lage versnelling bij hellingen.
xGebruik een hoge versnelling voor hoge snelheden op rechte stukken.
Afb.: Componenten van een derailleur
(bij wijze van voorbeeld)
1 Versnellingskabel
2 Tandwielcassette bestaande uit meerdere
rondsels aan het achterwiel
3 Kettingwielen aan de pedaalaandrijving
4 Ketting
3
2
4
1
VoertuigDerailleur
68
6.1.2 Elektronische derailleur
De elektronische derailleur wordt aangedreven door een accu die de stroom levert voor het
schakelmechanisme en de voorderailleur. De werking is dezelfde zoals bij een mechanische
derailleur. De toetsen voor de versnelling kunnen snel achter elkaar worden ingedrukt.
De versnelling registreert hoe vaak u heeft gedrukt en laat de ketting snel en precies
veranderen. De versnelling verhindert automatisch een te schuine kettingloop.
Afhankelijk van het model kan het voertuig, doorgaans de racefiets of de MTB,
over een elektronische versnelling beschikken.
Als u op de passende versnellingshendels drukt, worden de versnellingen opwaarts
of neerwaarts geschakeld. De elektronica zorgt hierbij voor een snelle verandering van
de versnellingen.
xRicht u voor meer informatie en vragen tot uw handelaar of respecteer de handleiding
die geleverd is bij de elektronische derailleur.
6.1.3 Tandwielcombinaties
LET OP
Verkeerd gebruik van de tandwielcombinaties.
Beschadigingsgevaar!
xCombineer het kleine kettingwiel niet met de kleinste rondsels
of het grote kettingwiel niet met de grootste rondsels.
Voertuig Derailleur
69
Bij verkeerde tandwielcombinaties leidt
een schuine loop van de ketting tot een
hogere slijtage aan de kettingwielen,
rondsels en ketting.
Het reguliere gebruik voorziet slechts
bepaalde tandwielcombinaties
(zie “Afb.: Tandwielcombinaties”).
xGebruik de tandwielcombinaties
zodanig dat de ketting in de rijrichting
parallel loopt.
xGebruik het kleinste kettingwiel bij
hellingen en het grootste kettingwiel
voor hogere snelheden op rechte stukken.
xWanneer u niet zeker bent over de
bediening van de versnelling, dient u uitleg
te vragen aan uw handelaar.
6.2 Bediening
WAARSCHUWING
Onoplettendheid in het wegverkeer.
Risico op ongevallen en verwondingen!
xLeer voor de eerste rit de functies van de versnelling kennen.
xGebruik de versnelling alleen wanneer uw aandacht voor
het wegverkeer niet wordt beperkt.
xStop wanneer u de versnelling niet veilig kunt bedienen,
bijvoorbeeld bij storingen.
LET OP
Verhoogde slijtage en beschadiging door een verkeerde bediening
van de versnelling.
Beschadigingsgevaar!
xTrap bij het schakelen niet krachtig op de pedalen.
Afb.: Tandwielcombinaties
(bij wijze van voorbeeld)
1 7 rondsels aan achterwiel
2 3 kettingwielen aan de pedaalaandrijving
21
Voertuig Derailleur
71
6.2.2 Kettingwielen schakelen
Afhankelijk van het model kan de indeling van de versnellingshendels (boven- of onderkant
van het stuur) en de bediening variëren. De schakeleenheid voor de kettingwielen bevindt
zich links aan het stuur (zie Afb.: “Bedieningseenheid aan het stuur voor het schakelen van
de rondsels en kettingwielen”).
xOm te schakelen naar het volgende grotere kettingwiel, drukt u op de onderste
versnellingshendel.
xOm te schakelen naar het volgende kleinere kettingwiel, trekt u de bovenste
versnellingshendel aan de linker kant van het stuur.
xOpdat de ingedrukte versnellingshendel automatisch naar de uitgangspositie
kan terugkeren, dient u de versnellingshendel na het schakelen los te laten.
1
2
Afb.: Bedieningseenheid aan het stuur voor het schakelen van de rondsels en kettingwielen
(hier bij wijze van voorbeeld aan het rechter stuur)
1 Bovenste versnellingshendel
2 Onderste versnellingshendel
1
2
Wanneer uw voertuigmodel uitgerust is met een draaischakelaar:
xDraaischakelaars zijn doorgaans gemarkeerd met getallen voor de afzonderlijke
versnellingen. Draai de draaischakelaar in de passende richting om naar een hogere
of lagere versnelling te schakelen (zie Afb. “Draaigreepschakelaar”).
6.2.3 Elektronische derailleur
De elektronische derailleur vereist specifieke bedieningselementen met toetsen aan
het stuur. De toetsen voor de versnelling kunnen snel achter elkaar worden ingedrukt.
De versnelling registreert hoe vaak u heeft gedrukt en laat de ketting snel en precies
veranderen. De versnelling verhindert automatisch een te schuine kettingloop.
VoertuigDerailleur
72
6.2.4 Derailleur/naafversnelling (dual drive)
xLees ook het hoofdstuk “Naafversnellingen / Bediening / Derailleur/naafversnelling
(dual drive)”, wanneer uw voertuig uitgerust is met een gecombineerde derailleur /
naafversnelling.
6.2.5 Versnellingshendel bij een racefiets bedienen
Bij racefietsen met een gebogen stuur zijn doorgaans racefiets-versnellings-remhendels
ingebouwd. De versnellingshendels van de racefiets zijn geïntegreerd in de remgreep.
Afhankelijk van het model van versnelling kunnen de versnellingen worden geschakeld
wanneer de remgreep wordt bewogen of de versnellingshendels worden gebruikt. Bij een
recht stuur liggen de versnellingshendels onder het stuur zoals bij andere voertuigtypes,
zie hoofdstuk “Derailleur”.
Vraag uitleg aan uw handelaar over de bediening van de versnellingshendels.
Om de werking van de versnellingshendels te leren kennen, dient u te leren
schakelen op een plaats buiten het wegverkeer.
Voertuig Derailleur
73
6.3 Instellingen
WAARSCHUWING
Afspringende of klemmende ketting door verkeerd
ingestelde versnelling.
Risico op ongevallen en verwondingen!
xStel de versnelling in.
xBeschikt u niet over de noodzakelijke vakkennis
of gereedschappen, richt u dan tot uw handelaar.
VOORZICHTIG
Inklemming en beknelling van lichaamsdelen door
beweeglijke onderdelen.
Risico op verwondingen!
xWees voorzichtig bij de hantering van beweeglijke onderdelen
zodat uw vingers niet bekneld raken.
xDraag eventueel beschermende handschoenen.
LET OP
Een verkeerd ingestelde versnelling kan leiden tot beschadiging
van de versnelling.
Beschadigingsgevaar!
xStel de versnelling in.
xBeschikt u niet over de noodzakelijke vakkennis
of gereedschappen, richt u dan tot uw handelaar.
Voertuig
Derailleur
74
Voor de probleemloze schakeling is het
belangrijk dat het schakelmechanisme
en voorderailleur exact zijn ingesteld
(zie “Afb.: Componenten van een derailleur”).
xWanneer de derailleur niet functioneert
of bij de bediening geluiden veroorzaakt,
dient u de derailleur door uw handelaar
te laten instellen.
6.3.1 Schakelmechanisme instellen
Opdat ketting en schakelmechanisme niet
in de spaken belanden of de ketting van
het kleinste rondsel valt, begrenzen
de eindaanslagschroeven (L en H) het
zwenkbereik van het schakelmechanisme
(zie “Afb.: Voorstelling van een
schakelmechanisme”).
L staat voor “low gear” en wijst op de lage
versnelling.
H staat voor “high gear” en wijst op de hoge
versnelling.
Voor de instellen van het schakelmechanisme
gaat u als volgt te werk:
1. Schakel de ketting naar het grootste
kettingwiel en het kleinste rondsel aan
het schakelmechanisme.
2. Draai zolang aan de eindaanslagschroef H
tot de geleiderol exact onder het kleinste
rondsel staat.
Afb.: Componenten van een derailleur
(bij wijze van voorbeeld)
1 Versnellingskabel
2 Voorderailleur
3 Schakelmechanisme
L
1
3
2
Afb.: Voorstelling van een schakelmechanisme
(bij wijze van voorbeeld)
1 Grootste rondsel
2 Kleinste rondsel
3 Eindaanslagschroef H
4 Eindaanslagschroef L
5 Geleiderol
3
4
5
2
1
Voertuig Derailleur
75
3. Trek de versnellingskabel strak en fixeer
hem met de trekspanschroef aan de
kettingsteun (zie “Afb.: Instellen van het
schakelmechanisme”).
4. Schakel de ketting naar het kleinste
kettingwiel en het grootste rondsel.
5. Zorg ervoor dat de ketting zeker niet
de spaken raakt. Corrigeer dit eventueel
met behulp van de eindaanslagschroef L
(zie “Afb.: Voorderailleur”).
6.3.2 Voorderailleur instellen
xSchakel de ketting naar het kleinste
kettingwiel.
xStel de afstand in tot de inwendige
kettinggeleider met behulp van
de eindaanslagschroef L. De afstand
moet 0,5–1 mm bedragen
(zie “Afb.: Voorderailleur”).
xSchakel de ketting naar het grootste
kettingwiel.
xStel de afstand in tot de buitenliggende
kettinggeleider met behulp van
de eindaanslagschroef H. De afstand
moet 0,5–1 mm bedragen.
Afb.: Instellen van het schakelmechanisme
(bij wijze van voorbeeld)
1 Trekspanschroef aan de kettingsteun
1
1
Afb.: Voorderailleur (bij wijze van voorbeeld)
1 Eindaanslagschroef H
2 Eindaanslagschroef L
2
Voertuig
Derailleur
76
6.3.3 Versnellingskabelspanning afstellen
xTreden er na het schakelen tijdens het fietsen geluiden op, corrigeer dan
de versnellingskabelspanning met de trekspanschroef aan de versnellingshendel
(zie “Afb. Trekspanschroef aan de versnellingshendel”).
xDraai hiervoor aan de trekspanschroef met een halve omwenteling.
xVerminderen de geluiden, draai
de trekspanschroef in kleine stappen
in dezelfde richting verder tot er
tijdens het fietsen geen geluiden
meer optreden.
xVersterken de geluiden, draai dan
de trekspanschroef in kleine stappen
in de tegenovergestelde richting tot
er tijdens het fietsen geen geluiden
meer optreden.
xWanneer na het schakelen tijdens het fietsen geluiden blijven optreden,
dient u de versnelling door uw handelaar te laten instellen.
6.3.4 Derailleur bij een racefiets instellen
Beschikt de racefiets aan de
versnellingskabels over een stelschroef met
stelwiel, dan kan hiermee de kabelspanning
van de derailleur worden afgesteld.
xOm de kabelspanning te verhogen, draait
u het stelwiel van de stelschroef tegen
de wijzers van de klok.
xOm de kabelspanning te verlagen, draait
u het stelwiel van de stelschroef volgens
de wijzers van de klok.
Voor het instellen van het
schakelmechanisme zie hoofdstuk
“Derailleur / Instellingen /
Schakelmechanisme instellen”.
Afb.: Trekspanschroef aan de versnellingshendel
(bij wijze van voorbeeld)
Afb.: Derailleur instellen (bij wijze van voorbeeld)
Stelschroef met verstelwiel voor
de trekspanning
Voertuig Naafversnellingen
77
7 Naafversnellingen
7.1 Grondslagen
Afhankelijk van het voertuigmodel wordt
doorgaans bij alle moderne voertuigen een
versnelling gemonteerd. Uitzonderingen zijn bijv.
kinderfietsen die naargelang van het model
slechts met een versnelling zijn uitgerust.
De versnelling bij het voertuig bestaat uit een
schakelbare transmissie en de bijbehorende
bedieningselementen. Daardoor wordt het
door de bestuurder geleverde vermogen
aangepast aan de rijsnelheid en de toestand
van het wegdek.
De instelling van de versnelling vereist vakkennis.
xBeschikt u niet over de noodzakelijke
vakkenis en gereedschappen voor
de instelling van de naafversnelling,
richt u dan tot uw handelaar.
7.1.1 Automatische versnelling (Automatix)
Dit hoofdstuk is geldig voor de modellen met optionele versnelling
Automatix” (zie fiche met de technische gegevens die u hebt gekregen
van uw handelaar).
De achterste wielnaaf is uitgerust met een automatische versnelling. De versnelling
schakelt afhankelijk van de snelheid automatisch naar de 2e versnelling of terug naar
de 1e versnelling.
Automatix versnellingen zijn zowel verkrijgbaar met vrijloop alsook met een terugtraprem.
Raadpleeg de door uw handelaar ingevulde fiche om te zien welke variant werd
geïnstalleerd.
xWanneer de versnelling niet automatisch schakelt of geluiden veroorzaakt,
dient u de versnelling door uw handelaar te laten nazien.
Afb.: Componenten van een naafversnelling
(bij wijze van voorbeeld)
1 Bevestigingsring
2 Schakelwiel
3 Houder
3
1
2
VoertuigNaafversnellingen
78
7.1.2 Traploze versnelling (NuVinci)
Dit hoofdstuk is geldig voor modellen met optionele traploze versnelling
“NuVinci” (zie fiche met de technische gegevens die u hebt gekregen van
uw handelaar).
De achterste wielnaaf is uitgerust met een traploze versnelling. Als u draait aan
de draaischakelaar wordt de versnelling traploos ingesteld.
NuVinci versnellingen zijn zowel verkrijgbaar met vrijloop alsook met een terugtraprem.
Raadpleeg de door uw handelaar ingevulde fiche om te zien welke variant werd geïnstalleerd.
7.1.3 Traploze automatische versnelling (NuVinci Harmony)
Dit hoofdstuk is geldig voor modellen met optionele traploze automatische
versnelling “NuVinci Harmony” (zie fiche met de technische gegevens die
u hebt gekregen van uw handelaar).
De achterste wielnaaf is uitgerust met een traploze automatische versnelling die niet
manueel wordt bediend maar zich automatisch aan de snelheid en trapfrequentie aanpast.
7.1.4 Elektronische naafversnelling
De elektronische naafversnelling vereist specifieke bedieningselementen met toetsen
aan het stuur. De toetsen voor de versnelling kunnen snel achter elkaar worden ingedrukt.
De schakeling registreert hoe vaak u heeft gedrukt en verandert vervolgens van versnelling.
7.2 Bediening
WAARSCHUWING
Onoplettendheid in het wegverkeer.
Risico op ongevallen en verwondingen!
xLeer voor de eerste rit de functies van de versnelling kennen.
xGebruik de versnelling alleen wanneer uw aandacht voor het
wegverkeer niet wordt beperkt.
xStop wanneer u de versnelling niet veilig kunt bedienen,
bijvoorbeeld bij storingen.
VoertuigNaafversnellingen
80
7.2.2 Traploze naafversnellingen
xOm traploos naar een hogere of lagere
versnelling te schakelen, draait u aan
de draaischakelaar
(zie “Afb.: Draaischakelaar traploos”).
7.2.3 Derailleur/naafversnelling (dual drive)
xZet de versnellingshendel bij een hellend
rijvlak naar links (zie “Afb.: Gecombineerde
draai- en versnellingshendelschakelaar
dual drive”).
xZet de versnellingshendel bij een effen
rijweg in het midden.
xZet de versnellingshendel op een rijweg
met hellingen naar rechts.
xOm naar een hogere of lagere
versnelling te schakelen, draait u aan
de draaischakelaar.
Afb.: Draaischakelaar traploos
(bij wijze van voorbeeld)
1 Indicator
2 Vlak
3 Stijging
2 3
1
Afb.: Gecombineerde draaigreep- en
versnellingshendelschakelaar dual drive
(bij wijze van voorbeeld)
Voertuig Naafversnellingen
81
7.3 Instellingen
WAARSCHUWING
Doorglijden van de versnellingen en tevergeefs trappen door
een verkeerd ingestelde versnelling.
Risico op ongevallen en verwondingen!
xStel de versnelling in.
xBeschikt u niet over de noodzakelijke vakkennis
of gereedschappen, richt u dan tot uw handelaar.
LET OP
Een verkeerd ingestelde versnelling kan leiden tot beschadiging
van de versnelling.
Beschadigingsgevaar!
xStel de versnelling in.
xBeschikt u niet over de noodzakelijke vakkennis
of gereedschappen, richt u dan tot uw handelaar.
De naafversnellingen mogen uitsluitend worden ingesteld door uw handelaar.
7.3.1 Versnellingskabelspanning instellen
De instelling van de versnellingskabelspanning hangt af van het model van uw naafversnelling.
xGa na welke naafversnelling in uw voertuig is gemonteerd (zie fiche met de technische
gegevens die u hebt gekregen van uw handelaar).
xWanneer de naafversnelling minder goed werkt, dient u de versnellingskabelspanning
in te stellen.
Voertuig
Naafversnellingen
82
1. Stel de draaischakelaar of
vernsellingshendel in op de middelste
versnelling. Bij een versnelling met 7 of 8
versnellingen beantwoordt dit aan de 4e
versnelling (zie Afb. “Stelschroef aan
de draaischakelaar”).
2. Verstel de stelschroef (zie Afb.: “Stelschroef
aan de draaischakelaar”) aan de
draaischakelaar zodanig dat de beide
in kleur gemarkeerde aanduidingen
op de achterwielnaaf overeenstemmen
(zie “Afb. Instellingsmarkering”).
3. Controleer de instellingen met een proefrit.
xHebt u de storingen niet
kunnen verhelpen, laat de
versnellingskabelspanning dan
door uw handelaar instellen.
Afhankelijk van het voertuigmodel kan een
naafversnelling met schakelbox ingebouwd zijn.
xControleer aan de achteras van het voertuig of een schakelbox is gemonteerd.
1. Stel de draaischakelaar of
vernsellingshendel in op de middelste
versnelling. Bij een versnelling met 7 of 8
versnellingen beantwoordt dit aan de 4e
versnelling (zie Afb. “Schakelbox”).
2. Verstel de stelmoer zodanig dat
de markeringen aan de schakelbox
overeenstemmen (zie Afb. “Schakelbox”).
3. Controleer de instellingen met
een proefrit.
Afb.: Stelschroef aan de draaischakelaar
(bij wijze van voorbeeld)
1 Schakelniveau
2 Stelschroef
1
2
LOCK
Afb.: Instellingsmarkering (bij wijze van voorbeeld)
1 2
Afb.: Schakelbox (bij wijze van voorbeeld)
1 Markering
2 Instelmoer
Voertuig Naafversnellingen
83
xHebt u de storingen niet kunnen verhelpen, laat de versnellingskabelspanning
dan door uw handelaar instellen.
7.3.2 Versnellingskabelspanning bij NuVinci versnelling instellen
xAls er minder dan 0,5 mm speling
is in de versnellingskabelomhulling aan
de schacht, draai dan rechtsom aan
de stelmoer (zie Afb. “Speling aan
de versnellingskabelomhulling (links)
en stelschroef (rechts)”).
xIs er meer dan 1,5 mm speling, draai
dan aan de stelmoer tegen de wijzers
van de klok.
xRespecteer de informatie van
de fabrikant van de versnelling
die bij uw voertuig is gevoegd.
xHebt u de storingen niet kunnen
verhelpen, laat de versnelling dan
door uw handelaar instellen.
Afb.: Speling aan de versnellingskabelomhulling
(links) en stelschroef (rechts)
(bij wijze van voorbeeld)
1 0,5-1,5 mm
2 Versnellingskabelomhulling
3 Schacht
4 Stelschroef
23 4
1
Voertuig Pinion-aandrijving
87
Oplossing van storingen bij het gebruik van een Pinion-aandrijving
Storing Mogelijke oorzaak Oplossing
Klikgeluid in de 7e en 13e
versnelling
Bij beide versnellingsstanden
is er een bedieningsklink
in de vrijlooptoestand
(tot modeljaar 2014)
Geluid is geen defect. Naar
wens: upgrade tegen betaling
naar de nieuwe aandrijfversie
Brommend of zoemend geluid Schuinloop van ketting of riem Ketting of riem recht oriënteren
Aandrijving schakelt moeizaam versleten of verkeerde
versnellingskabels, omhulsels
of afsluitdoppen
uitsluitend versnellingskabels
met een maximale diameter van
1,2 mm gebruiken; uitsluitend
versnellingskabelomhulsels
gebruiken; uitsluitend
afsluitdoppen van kunststof
gebruiken; versleten
versnellingskabels
absoluut vervangen
Doorglijden bij het trappen Vrijloopklink klikt niet vast bij het verder trappen klikt
de aandrijving in de volgende
tand vast
Bij een kettingaandrijving
Ketting slaat op de liggende
achtervork
Kettingspanning te laag Kettingspanning door
uw handelaar laten instellen
ondanks een werkende achter-
wiel-vrijloop lopen ketting of
crank bij het schuiven mee
Kettingspanning te hoog
VoertuigPinion-aandrijving
88
8.4 Pinion-aandrijving reinigen
LET OP
Beschadiging van de Pinion-aandrijving door reiniging met scherpe
of agressieve reinigingsmiddelen.
Beschadigingsgevaar!
xReinig de Pinion-aandrijving uitsluitend met water, detergent
en een schone, zachte borstel.
xReinig de Pinion-aandrijving niet met een harde waterstraal
of hogedrukapparaten.
8.5 Pinion-aandrijving onderhouden
LET OP
Verlies van dichtheid van de Pinion-aandrijving.
Beschadigingsgevaar!
xDraai zeker niet de schroeven van het behuizingsdeksel
van de Pinion-aandrijving vast of eruit.
Voertuig
Pinion-aandrijving
90
4. Leg het voertuig op de in rijrichting wijzende linker zijde over het opvangreservoir
en laat de olie in het opvangreservoir lopen.
5. Zet het voertuig recht of leg het op de in rijrichting wijzende rechter kant.
6. Giet er nieuwe originele Pinion-aandrijfolie bij.
7. Draai de olieafvoerschroef vast met een geschikte draaimomentsleutel.
Respecteer daarbij het draaimoment van de olieafvoerschroef.
8. Draai de vier schroeven van het aandrijvingsdeksel met een geschikte
draaimomentsleutel vast. Respecteer daarbij het draaimoment van de schroeven
van het aandrijvingsdeksel.
Voertuig Wielen en banden
97
De banden zijn ervoor bedoeld het voertuig houvast te bieden op de rijweg, de aandrijf- en
remkrachten op de rijweg over te dragen en oneffenheden van het wegdek op te vangen.
Afhankelijk van het gebruik van het voertuig worden verschillende soorten banden gebruikt.
De grootte van de banden is vermeld op de respectieve zijkant van de band. Hierop kunnen
verschillende gegevens zijn aangebracht, bijvoorbeeld:
De ETRTO-informatie wordt vermeld in millimeter. Wordt op de band 52-559 vermeld,
dan is de band in opgepompte toestand 52 mm breed en heeft een binnendiameter
van 559 mm. (ETRTO (European Tyre and Rim Technical Organisation) staat voor
Europese Organisatie van Experts voor Banden en Velgen).
De vermelding in inch. Wordt op de band 6 x 2,35 vermeld, dan is de band in
opgepompte toestand 2,35“ breed en heeft een binnendiameter van 26“.
Behalve bij tubular banden en UST-banden zijn band en velg alleen niet luchtdicht.
Om de lucht binnenin de band te behouden, wordt een binnenband gebruikt die door
een ventiel wordt gevuld.
10.1.1 Soorten ventielen
De voertuigen zijn uitgerust met een van de volgende soorten ventielen
(zie “Afb.: Soorten ventielen”):
Sclaverandventiel (SV): afgedicht door een
stop in het ventiel, velgopening 6,5 mm.
Standaard Hollands ventiel (Dunlop,
DV): afgedicht door een dopmoer,
velgopening 8,5 mm.
Autoventiel (SV): afgedicht door een stop
in het ventiel, velgopening 8,5 mm.
Alle drie soorten ventielen beschikken over een
ventieldop zodat het ventiel niet vuil wordt.
12
4
3
SV DV AV
Afb.: Soorten ventielen (bij wijze van voorbeeld)
1 Kartelschroef
2 Ventielstop
3 Onderste kartelmoer
4 Bovenste kartelmoer
VoertuigWielen en banden
98
10.1.2 Bandenspanning
WAARSCHUWING
Barsten van de binnenband of springen van de band van de velg
door een te hoge bandenspanning.
Risico op ongevallen en verwondingen!
xRespecteer de bandenspanning.
xGebruik een luchtpomp met drukweergave als u de band oppompt.
LET OP
Beschadiging van de binnenband door een te lage bandenspanning.
Beschadigingsgevaar!
xRijd niet over scherpe randen als de bandenspanning te laag is.
xRespecteer de bandenspanning.
xGebruik een luchtpomp met drukweergave als u de band oppompt.
Op de zijkant van de band is de bandenspanning vermeld. De bandenspanning wordt vermeld
in bar of psi (pound per square inch), zie tabel met omrekening van de bandenspanning.
De ondergrens van de bandenspanning is geschikt voor lichte bestuurders, voor een
oneffen ondergrond en zorgt voor een hoger veringscomfort bij een hogere rolweerstand.
De bovengrens van de bandenspanning is geschikt voor zwaardere bestuurders, voor een
effen ondergrond en zorgt voor een geringe rolweerstand bij een geringer veringscomfort.
Als er naast de informatie op de zijwand van de band ook een indicatie is van de bandenspanning
op de velg, bepaalt de laagste van de twee waarden de maximale bandenspanning.
xFiets steeds met de voorgeschreven bandenspanning.
xControleer regelmatig de bandenspanning.
xVul de band ten minste tot aan de ondergrens en maximaal tot aan de bovengrens
van de bandenspanning met lucht.
xGebruik een luchtpomp met drukweergave als u de band oppompt.
Voertuig Wielen en banden
101
Afhankelijk van het voertuigmodel worden de wielen met snelspanassen, steekassen
of conventionele assen bevestigd in de uitvaleinden met asmoeren.
xBeschikt u niet over de noodzakelijke vakkennis en gereedschappen voor de instelling
van de snelspanassen, richt u dan tot uw handelaar.
Afhankelijk van het voertuigmodel is het voertuig
uitgerust met conventionele steekassen, steekas
met hendel of snelspanassen. De assen kunnen
worden vervangen door assen met
diefstalbeveiliging.
De assen worden geleid door het wiel
en bevestigd tussen de uitvaleinden van
het voertuig. Afhankelijk van het model
van de voorvork zijn de uitvaleinden open
of gesloten. De montage en demontage
gebeuren hier op verschillende wijze.
Er zijn heel wat verschillende
bevestigingssystemen op de markt.
Zorg ervoor dat de werking van de
bevestigingsystemen op uw voertuig door
een handelaar wordt getoond en uitgelegd
Steekassen en snelspanassen kunnen worden voorzien van
antidiefstalsystemen of worden vervangen door assen met geïntegreerde
diefstalbeveiliging. Afhankelijk van het model gebeurt de fixering van
de wielen op verschillende wijze:
Een aantal modellen kan niet worden geopend zolang het voertuig rechtop staat.
Bij een aantal modellen heeft men speciaal gereedschap nodig om de naafasmoeren
los te maken.
xInformeer u bij uw handelaar over de mogelijkheden van steekassen
en snelspanassen met diefstalbeveiliging.
xNeem de informatie van de fabrikant in acht over de montage van de assen.
xBeschikt u niet over de noodzakelijke vakkennis en gereedschappen voor de instelling
of bevestiging van assen, richt u dan tot uw handelaar.
A B
Afb.: Open (A) en gesloten (B) uitvaleinden
(bij wijze van voorbeeld)
VoertuigWielen en banden
102
10.3.1 Voor-/achterwiel met snelspanassen
10.3.1.1 Montage
1. Steek de snelspanas door de wielnaaf
en draai de asmoer met een tot twee
omwentelingen op de snelspanas.
2. Plaats het voor-/ achterwiel met
de snelspanner in de uitvaleinden.
xRespecteer de gegevens over de
looprichting van het voor-/ achterwiel,
indien aanwezig. Deze informatie
heeft doorgaans betrekking op het
bandprofiel en is op de zijkant van
de band te vinden.
3. Leg de snelspan hevel tot aan de aanslag
om (zie Afb. “Wiel met snelspanas”).
Plaats de snelspan hevel zodanig dat
deze niet ongewild geopend kan worden,
bijv. naar boven.
xWanneer de snelspanas of het voor-/ achterwiel niet vastzit of wanneer u de
snelspanner kunt aanleggen zonder kracht te gebruiken, dient u de spanning
opnieuw in te stellen (zie hoofdstuk “Basisinstellingen / Snelspanner”).
10.3.1.2 Demontage
1. Om de snelspanas te openen, kantelt u de hevel van de snelspanas naar buiten.
2. Draai de moer van de snelspanner zover linksom van de snelspanas tot u het voor-/
achterwiel uit de uitvaleinden kunt nemen.
Afb.: Wiel met snelspanas (bij wijze van voorbeeld)
1 Naafasmoer
2 Hendel van de snelspanas
1
2
Voertuig
Onderhoud
138
8. Om het reeds gemonteerde gebied in de diepe velgbodem te brengen, trekt u de band
naar het einde krachtig naar beneden.
9. Ga na of de binnenband goed zit en druk de band over de rand van de velg
(zie “Afb.: Draad- of vouwbanden monteren (A)”).
xLukt dit niet, gebruik dan de stompe kant van de bandenlichter om de band over
de rand van de velg te bewegen (zie “Afb.: Draad- of vouwbanden monteren (B)”).
10. Druk het ventiel binnenin de band.
11. Indien nodig oriënteert u het ventiel opnieuw.
xLukt dit niet, demonteer dan een deel van de zijkant van de band en oriënteer
de binnenband opnieuw.
12. Beweeg de half opgepompte band meerdere keren dwars tegenover de rolrichting
heen en weer om na te gaan of de binnenband correct in de band ligt en niet
ingeklemd is.
13. Pomp de band op tot de gewenste bandenspanning is bereikt. De vermelding van
de maximale bandenspanning bevindt zich op de zijkant van de band.
14. Controleer met de controlering aan de zijkant van de band of de band correct zit.
De controlering moet over de hele band een gelijke afstand tot de rand van de velg
vertonen (zie “Afb. Draad- of vouwbanden monteren (C)”).
Afb.: Draad- of vouwbanden monteren (bij wijze van voorbeeld)
A B C
14.11.7 UST-banden monteren
Bij UST-banden (UST = Universal System Tubeless) is er geen aparte binnenband nodig.
Band en velg zijn zo met elkaar verbonden dat er geen lucht kan ontsnappen.
UST-banden mogen uitsluitend samen met een UST-velg of een
UST-wiel worden gebruikt. Zorg ervoor dat de UST-banden uitsluitend
worden gemonteerd door uw handelaar. Monteer de UST-banden slechts
zelf als u beschikt over de noodzakelijke vakkennis.
Voertuig
Onderhoud
146
Afb.: Velgrem racefiets
(bij wijze van voorbeeld)
1 Kartelschroef
2 Rembeugel
3 Centreerschroef
4 Remblokhouder met remblok
5 Velg
6 Afstand remblokhouder en velg
7 Snelspan hevel
8 Borgmoer
6
1
4
3
8
2
5
7
5321 4
Afb.: Positionering remblokhouder
(bij wijze van voorbeeld)
1 Remblokhouder
2 Schroefverbinding remblokhouder
3 Afstand remblokhouder en band
4 Band
5 Velg
14.12.1.6 Afstand remblok bij een racefiets instellen
De afstand tussen velg en remblok wordt ingesteld op 1–2 mm.
1. Draai de centreerschroef tot de afstand aan beide remblokken even groot is.
2. Draai de borgmoer er een omwenteling uit (zie “Afb.: Velgrem racefiets”).
3. Draai de kartelschroef erin of eruit tot de afstand tussen remblokken en velg
1–2 mm bedraagt.
4. Draai de borgmoer vast.
Voertuig Onderhoud
147
14.12.2 Mechanische velgrem
14.12.2.1 Remblokhouder vervangen
WAARSCHUWING
Verminderd remvermogen door ongelijkmatige slijtage van
de remblokken.
Risico op ongevallen en verwondingen!
xVervang de remblokken steeds per paar.
xStel bij elkaar horende remblokhouders identiek in.
xBeschikt u niet over de noodzakelijke vakkennis en
gereedschappen voor de vervanging van de remblokhouders,
richt u dan tot uw handelaar.
Doorgaans is de remkabel bevestigd aan de rem met een cilindervormige kabel aanslag.
Is de remkabel vastgeschroefd aan de remarmen, richt u dan tot uw handelaar.


Produktspezifikationen

Marke: Sparta
Kategorie: Fahrrad E-bike
Modell: 2022 - General

Brauchst du Hilfe?

Wenn Sie Hilfe mit Sparta 2022 - General benötigen, stellen Sie unten eine Frage und andere Benutzer werden Ihnen antworten




Bedienungsanleitung Fahrrad E-bike Sparta

Bedienungsanleitung Fahrrad E-bike

Neueste Bedienungsanleitung für -Kategorien-